Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEROEP EN KARAKTER I

B. H. DE GROOT

Op den nauwen samenhang tusschen beroep en karakter wijst Dr. Foerster o.a. in zijn Politische Ethik und politische Padagogik met deze merkwaardige woorden: „Men stelt zich tegenwoordig lang niet duidelijk genoeg voor oogen, welk een beslissende beteekenis juist voor het succes van het beroep, het karakter heeft en hoeveel menschen in hun beroep nimmer succes hebben of zelfs geheel en al ten gronde gaan, niet, omdat ze te weinig geleerd hebben, maar omdat hun de ware kunst ontbreekt, om te bevelen, of wel de kunst om zich maatschappelijk te voegen; omdat ze geen zelfbeheersing bezitten, omdat ze zich niet duidelijk voor oogen hebben gesteld, welk een overgroote economische en technische beteekenis trouw aan contracten en principiëele nauwgezetheid hebben." Bovenstaande woorden hebben we in hun geheel afgeschreven, omdat ze zoo treffend juist aangeven de zedelijke zijde van het beroepskeuze-vraagstuk. Dr. Foerster wil het vraagstuk der beroepskeuzevoorlichting en voorziening niet louter beschouwd zien als een vraagstuk van zuiver technischen of sociaal-maatschappelijken aard, maar ook het volle licht doen vallen op de zedelijke waarde van het vraagstuk. Tusschen beroep en karakter legt hij een nauw verband ; en bij de vraag naar de doelmatigheid van het te kiezen beroep, wenscht hij de gewichtige factor van het „karakter" geenszins uit te schakelen, doch mede tot uitgangspunt van onderzoek te maken. We behoeven niet nader aan te duiden, dat we ons geheel op eenzelfde standpunt plaatsen; dat we dus geenszins mee zouden willen doen met een richting, die meer de materieele, dan de idieele zijde van dit levensvraagstuk voorstaat. Met de technische vaardigheid in een beroep komt men er niet alléén; er zijn zedelijke waarden, die moeten worden afgewogen en onder dezen leggen karakter-aanleg en karakter¬

eigenschappen niet het lichtste gewicht in de schaal. Dat daarmede vanzelf het recht en de plicht van eigen confessioneele beroepkeuze-voorlichtingsdienst is aangegeven, behoeft niet nader bewezen. Dat daarmede dus alléén reeds staat het recht van het Centraal Zielkundig Bureau en van plaatselijke R. K. Instellingen voor beroepskeuze-voorlichting volgt al even noodzakelijk. Dat het nieuwe orgaan „Aanleg en Beroep" dus vooral ook die zijde van het beroepskeuzevraagstuk zal belichten; dat het er juist is, om ook uit dien gezichtshoek met uitsluiting van eenzijdigheid volgens eigen beginselen dit vraagstuk te bekijken, dat alles spreekt van zelf voor wie de geestelijke waarde van dit probleem weet te waardeeren. 't Was echter niet hierop zoozeer, dat we wilden wijzen. De samenkoppeling van „beroep'' en „karakter" leidt nog tot andere gedachten, 't Zijn deze: wanneer de quaestie van de keuze van een beroep ook een vraag is van karakter-aanleg en eigenschappen, en beide dus nauwe verwantschap toonen; wanneer dus ook een doelmatige beroepsvoorziening niet mogelijk is zonder grondige karakterkennis, dan mogen ook de organen, die op de vorming van karakter grooten invloed oefenen of kunnen inleiden in de kennis van het karakter, bij het zoeken naar een goede oplossing van het beroepskeuze-vraagstuk niet worden uitgeschakeld. En dan denken we hier o.a. aan de school en de jeugdvereeniging. Dat de school een gewichtige taak in dezen heeft te vervullen, wordt meer en meer erkend. Vooral zij, die het volle gewicht leggen op de zedelijke zijde van het vraagstuk, trachten de school dan ook meer en meer in het geding te betrekken. Terecht! De school oefent invloed op de vorming van karakter en heeft daarnaast ruim gelegenheid tot studie van karakteraanleg en neigingen. Zij kan voor de beoordeeling van de zedelijke zijde van het

.

Sluiten