Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inhoud had. Uit het voorgaande bleek het tegendeel en ... 't is slechts een min-scherpe weergeving en naschrijving van ideeën door Sint Thomas verkondigd. Historisch wordt de onjuistheid voldoende bewezen, indien men de verzameling beschouwt van gegevens door Pesch bijeengegaard: Origines, Sint Clemens van Alexandrië. Sint Chrysostomus hebben al het beroep op God teruggevoerd. Doch het is geenszins de bedoeling hier polemiek te leveren: de rustige beschouwing zou

daar slechts van lijden. Ook bij volgende beschouwingen is die uitgesloten. Leek het hier en daar polemisch dan maakt de onaangename beperktheid-aan-velen-kant dat misschien wel vergeefelijk. Mr. J.

Pesch Dr. S. J.: Lehrbuch der Nationalökonomie II waar aangehaald Thomas v. Aquine: de Regimine Principum en Summa contra Gentiles.

Haessle Dr.: Das Arbeitsethos der Kirche. Herder.

Freiburg i. Br.

Dunkmann, Prof: Die Lehre vom Beruf.

Weber: Religionssoziologie I, Archiv für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik XX en XXI.

¥

OP DE VIERDE KLAS VAN HET GYMNASIUM

In een prae-advies over „Voorlichting bij Beroepskeuze en Arbeidsbemiddeling voor hen, die hunne opleiding genoten hebben aan scholen voor middelbaar of voorbereidend hooger onderwijs of aan hoogescholen of universiteiten" vat de schrijfster Mej. Anna Polak het ontwikkelde in die stellingen in negen korte uitspraken samen. De twee eerste luiden: 1. Een groot aantal (vrouwelijke) leerlingen en oud-leerlingen van H. B. S-. Lycea en Gymnasia heeft voorlichting bij de beroepskeuze noodig; 2. De oorzaak die haar verhindert, in het zelfstandig of althans zonder deskundige voorlichting, kiezen van een beroep moet in den regel niet worden gezocht in gebrekkige kennis omtrent eigen geestes- en karaktereigenschappen, maar in gebrekkige, veelal geheel ontbrekende kennis omtrent de beroepen.*) Wat Mej. A. Polak hier in deze regels zegt over meisjes, is in hoofdzaak ook waar voor jongens. Mislukking in 't verder leven ligt gewoonlijk voor veel jongens ook hierin, dat hun geen voldoende voorlichting werd gegeven bij beroepskeuze door hen, die de hun wachtende beroepen en moeilijkheden in de voorbereiding daarvan uitstekend kennen. Die voorlichting moest zeker gegeven worden op 't

') Tijdschrift van den Nederlandschen WerkloosheidRaad Jaargang 5, 1922, bladz. 369, 370.

gymnasium op de 4de klas. Veel leerlingen moeten daar nog beslissen, in welke richting zij verder zullen studeeren, welk beroep zij voor hun leven kiezen. Na de 4de Gymnasium is de scheiding in A- en B-leerlingen. De A's zullen Rechten of Letteren gaan studeeren, de B's de Medicijnen, Natuur- en Wiskunde of de vakken der Polytechnische School. Een beslissing van beteekenis voor jongens van vijftien, zestien jaar. Waar hangt nu de beslissing gewoonlijk van af? Na hun vierjarige studie kennen veel leerlingen, geholpen door hun leeraars, hun intellectueele begaafdheden zoo wat. Ten minste weten ze dit wel of ze gemakkelijker de oude talen aanleeren dan wel de wiskundige vakken. Op dien aanleg steunend wordt dikwijls de keuze gedaan, zoo andere factoren al niet van de eerste klas af de richting der studie bepaalden. Is dat criterium nu wel voldoende? Wat heeft aanleg voor wis- en natuurkunde dikwijls weinig uit te staan met 't beroep van medicus? Ik heb studenten gekend, die in deze zaken hebben uitgemunt geheel hun gymnasiale studies door en op de universiteit maar niet konden slagen, niettegenstaanden harden arbeid. Is aanleg voor de oude talen wel een voldoend bewijs, dat men zal slagen in de studie der Rechten of der Letteren? Veronderstelt dat gemak, scherpte en vlugheid

Sluiten