Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering. Het is daarom beter op den voorgrond te brengen de uitspraak waarmee de zaakkundigen, de juristen, het voor het overgroote meerendeel in z'n algemeenheid niet eens zullen zijn: „Waar hij (de kantonregter) „zijn beroep begrijpt, zal hij niet op eenzij„dige wijze er naar zoeken, welke van de „twee strijdende partijen ongelijk heeft, maar „veeleer zal hij aannemen, dat, waar twee „strijden, beiden schuld hebben. Hij zal dus „trachten te bemiddelen, een oplossing te „zoeken, vredestichter te zijn".

Minnelijke schikking zal ongetwijfeld in vele gevallen voor alle die bij de procedure betrokken zijn, begeerenswaardig zijn: voor de partijen, de procureurs, den rechter en de gelegenheid daartoe wordt dan ook in de wet ten allen tijde opengehouden. De regter zal dan ongetwijfeld niet ongenegen zijn tot een schikking mede te werken, doch én theoretisch én practisch is zijn taak toch 'n andere. Theoretisch omdat zijn wettelijk omschreven taak is twisten die voor hem zijn gebracht op voorgeschreven wijze en volgens wettelijke regelen te beslechten, waarbij hij zich zeker niet aprioristisch op het feitelijk onjuiste standpunt mag stellen dat „waar twee strijden, beiden schuld hebben". Juist het onderzoek naar de schuld moet langs wettelijke lijnen geschieden. Practisch omdat men zich gewoonlijk wel twee keer bedenkt voordat men tot geldroovende procedures overgaat. „Beter een verloren koe, als een gewonnen proces" is óók spreekwoordelijk. Niet minder vlot wordt een oordeel geveld en een gedragslijn voorgeschreven voor den advocaat. Ook hier is oogenschijnlijk de opvatting van den geleerden schrijver niet overmatig gedocumenteerd. Immers onder 15b der rubriek „Litteratuur en Aanmerkingen" wordt de meening van prof. Simons Hoogleeraar in het Strafrecht en de Strafvordering te Utrecht een algemeen erkende autoriteit in den lande opzij gezet met de woorden: „Ik heb het niet noodig geacht mijne opvatting teaen orof. Simons te verdediaen, omdat

ik overtuigd ben, dat mijn opvattiug, die der toekomst is. Zij die gelooven. haasten niet". Was nu de meening van Prof Kohlbrugge, zelfs slechts in de hoofdzaken, onaantastbaar dan zou het nog veel gevergd zijn met een dergelijke meeningsuiting genoegen te nemen. Doch ook dit is niet het geval. Hij veroordeelt het standpunt dat een advocaat in Strafzaken juridische spitsvondigheden naar vorenbrengt om wetende dat een beklaagde schuldig is, hem aan den arm der justitie te ontrukken. Ook al stelt men zich niet op het standpunt door Prof. Simons ingenomen in zijn inaugurale rede dat de advocaat zich op het partijstandpunt van den gedaagde moet stellen het is toch evenzeer, wellicht in meerdere mate onjuist aan te nemen dat de advocaat die een gedaagde, hem toegevoegd, niet vrij pleit op grond van formeele fouten in de dagvaardiging of anderszins, de hem opgelegde taak niet naar geweten vervult. De strafbaarheid moet overeenkomstig de wettelijke regelen zijn vastgesteld. Zelfs „dejure constituendo" waarvoor de schrijver een regeling in zijn geest verhoopt is hoogst betwijfelbaar of men wel zijn standpunt kan innemen ten gunste der maatschappij. Zeer graag zou deze bespreking zijn uitgebreid tot verschillende andere categorieën van behandelde personen, zooals ambtenaars, leeraren en andere; doch dan liep men gevaar dat zij van den weeromstuit een klachtenboek werd en niet een boekbespreking. Wellicht gebeurt dit trouwens door anderen. Aanbevelenswaardig is in velerlei opzicht het boek echter niet. Mr- I-

Litteratuur:

1° Wet op de R. O. en het beleid der Justitie. 2° Simons Prof. Mr. D. : Strafvordering 6e druk. pag.

SI-62 en aldaar aangehaalde litteratuur.

3° J. H. Telders Mr. : Het beroep van advocaat. ¥

Sluiten