Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet alleen, terwijl Hij, aan hel kruis gehecht, van zijnen Vader voor hen vergiffenis afsmeekt, er bijvoegende en als reden opgevende: »Want zij welen niet wat zij doen" (32); maar ditzelfde ligt ook opgesloten in hetgeen Hij zijnen Apostelen voorspelde, dat de menschen hen mishandelen en vervolgen zouden, omdat zij God niet kenden, die Hem gezonden had, daar zij zelfs zouden meenen door hen te dooden Gode cenen dienst te doen (33). Onderzoeken wij evenwel weder, waarin volgens jezus de bron der onwetendheid gelegen is, dan komen wij lot de zonde als eersle oorzaak terug. Ook het onverstand komt, volgens jezus eigene uitspraak, van binnen uit het harte (34); zij konden wel beier oordeelen, dan naar den schijn (35); het was hun onwil, dat zij oogen en ooren sloten, om niet te zien en te hooren (36). Allen, ook zelfs pjlatus en de Heidenen , moesten indruk ontvangen hebben van het Goddelijke en eerbiedwaardige, dat in jezus was, indien zij niet ontaard geweest waren door de zonde. Vandaar, dat zoodanige onwetendheid door jezus gestrengelijk berispt wordt, en Hij diezelfden, van wie Hij getuigt, dat zij uit onwetendheid handelen, nogtans ten sterkste beschuldigt (37).

Gelijk echter jezus niet bepaaldelijk hen, die Hem ter dood bragten, maar ook in het algemeen de menschen als bewerkers van dien dood beschouwde, zoo schrijft Hij ook de reden, waarom men zoo handelde, niet aan enkelen, maar in het algemeen aan allen toe. Hierop doelt reeds zijn gezegde: » De Zoon des

(32) luc. XXIII; 34. (34) Mare. VII: 21 , 22. (36) Mattli. XIII: 15.

(33) Joh. XV: 81. XVI: 2,3. (35) Joh. VII: 24. (37) Joh. XV: 21 \'V.

Sluiten