Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoolang er in het geestenrijk werkzaamheid zil beslaan, desgelijks onophoudelijk zijne leidende en besturende hand zal moeten uitstrekken.

Voorts letten wij ook op de behoeften der geestelijke wereld. Deze zijn zoo onderscheiden als veelvuldig. Bij den mensch althans doen zij zich gestadig en telkens weder nieuw gevoelen, nu eens met opzigt tot zijne ontwikkeling en opleiding, dan eens met opzigt tot zijne verbetering en vergelding. Vanwaar nu echter derzelver vervulling? Gesteld ook, dat er hiervoor in de schepping stof en middelen genoeg voorhanden z,jn, wie zal die opsporen, aanwijzen, liereiden en naar gelang der behoeften aanwenden? — De mensch zelf? — Helaas! die kortzigtige kent ter naauwernood zijn wezenlijk belang, gevoelt somwijlen zijne dringendste behoeften niet, noch begeert altoos derzelver vervulling, en waar die vervulling dan loch plaats heeft, hoe zou de mensch zelf er de oorzaak van zijn? Neen, hij neemt niet, maar ontvangt, en niet zelden legen zijnen dank, alles wat tot een godzalig leven noodig is. Van de stoffelijke natuur evenwel ontvangt hij dit niet; trouwens deze kan wel opvoedingsmiddel, maar niet tegelijk opvoedster wezen, althans niet van geesten, die verre boven haar gesteld zijn. Derhalve, de eenige uitweg, die ook hier overblijft, is het geloof te omhelzen aan een' oneindig volmaakten Geest, die het juiste verband tusschen het stoffelijke in zijne schepping, als middel, en het geestelijke, als doel, eenmaal heeft gelegd en dit ook bestendig blijft bewaren, om onophoudelijk te kunnen voorzien in de steeds wisselende behoeften zijner menschenkinderen.

En hoezeer wordi ons geloof aan zulk een' God versterkt, wanneer wij nu ook neg hetgeen de

Sluiten