Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den van God zei ven hem ingeschapencn trek naar onsterfelijkheid raadplegen, hoe kon bet dan anders of deze voorstellingen en verwachtingen van eene opstanding der dooden moesten voor het minst bij velen uit de Joodsche natie ingang vinden en ook onder hen heerschende zijn, toen God zijnen Zoon op aarde zond.

Dit was dan ook werkelijk het geval. Toen jezus martha troostte met de verzekering, dat haar broeder zou opstaan, antwoordde zij: » Ik weet, dat hij opslaan zal in de opstanding ten laalslen dage" (11). Toen paulus voor den raad zijne bevreemding te kennen gaf, dat hij, hoewel een Phariseër en eens Phariseërs zoon, over de hope en de opstanding der dooden werd geoordeeld, ontstond er eene heftige tweespalt tusschen de Phariseën en de Sadduceën. »Want, zegt lucas, »de Sadduceën zeggen, dat er geene opstanding is, noch Engel, noch geest, maar de Phariseën doen belijdenis van beiden" (12). Zoo beluigde dezelfde Apostel voor felix, dat hij hoop had op God en dezelfde verwachting, welke ook de Phariseërs koesterden, dal er eene opstanding der dooden zou zijn, beide der reglvaardigen en onregtvaardigen (13). De Phariseën dus verwachteden eene opstanding, en wel een tw eede leven hier op aarde in den eigenlijk sten zin (14), en onder de regering van eenen Messias, die in eeuwigheid bij hen blijven zou (15).

Voor hoeveel teregtwijzing ook vatbaar, hoe zinnelijk ook en vleeschelijk, overeenkomstig met den aard

(H)

(13) (15)

Joli. XI: 24. Hand. XXIY: 15. Joli. XII: 34.

(12) Iiand. XXIII: 6—8. (14) Matth. XXII: 24 en Mare. XII: 19.

Sluiten