Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komst tot de gedachte van onafgenroken voortleven aanstonds na den dood, zoolang zij zich de toekomst des Heeren als welligt zeer nabijzijnde voorstelden. Die scherpe lijn van afscheiding tusschen beide scheen er bij hen naauwclijks te bestaan. Dat zij en hunne medeChiistenen niet lang van den Heer zouden gescheiden zyn, stond onwrikbaar by hen vast j en naarmate zij door de geschiedenis en door het licht des heiligen geestes dieper in de geheele waarheid geleid werden, de toekomst des Heeren beter begrepen en zich dezelve als meer verwijderd voorstelden, schijnt zich het denkbeeld van een leven, dat niet afgebroken werd dooiden dood, in hunnen geest helderder le hebben ontwikkeld. Voor het minst meenden zij hetzelve hier en daar duidelijk te moeten uitspreken, en ook daarin volgde de Discipel het voetspoor des Meesters, geloofde, dacht en sprak hij in zijnen geest. Zoo scheidde een stephawus van de aarde in de levendige hoop van opgenomen te worden in den hemel (67). Zoo verklaarde een paulus te weten, dal, wanneer (ten tijde, dat) de hutte onzer aardsche woning zal worden verbroken, wij een gebouw hebben bij God, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in den hemel; niet ontkleed , maar overkleed wenschte hij te worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden werd (68); uitwonen uit het ligchaam en inwonen bij den Heer (69), ontbonden te worden en bij cnmsTus te zijn (70) was hem een geheel. Hij wist, dat de Heer hem zou verlossen van alle booze aanslagen en hem bewaren tot zijn hemelsch Koningrijk (71), het leven was hem Christus,

(67) Hand. VII : 59. (69) 2 Cor. V: S. (71) 2 Tim. IV: 18.

(68) 2 Cor. V: 1—4. (70) Phil. I: 23.

Sluiten