Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inwendig beginsel, dat zieli lelkens, misschien onwillekeurig , althans zeker niel opzettelyk, openbaart. Zoo spreekt hij van de volmaakte wet, welke der vrijheid is, in welke de Christen inziet, waarbij hij blijft* waarnaar hij doet, waardoor hij zal geoordeeld worden (51). Zoo brengt lnj den oorsprong van het Christelijke, met de voorschriften overeenkomstige, en werkdadige leven tot een beginsel uit God terug, zeggende: »Naar zijne liefde heeft Hij ons gebaard, opdat wij zouden zijn eerstelingen zijner schepselen" (52). Zoo is eindelijk, om nog een voorbeeld te noemen, zelfs daar, waar hij geheel schijnt van werken als het voorname te spreken, bet geloof bij hem toch de bron, het geloof de hoofdzaak , waaruit de werken voortkomen, en welke door de werken zich als volmaakt openbaart; zoodat, ook bg dat ernstig aandringen op werken, het leven, hetwelk hij wil, liet Christelijke leven, eigenlyk ook bij hem niet een leven naar de wet is, maar een leven uit het geloof (53).

Is dat dus overal, waar het Christelijke is opgenomen, ook daar, waar het zich nog niet geheel heeft ontwikkeld, of nog niet geheel heeft doorgewerkt, of ook nog door vreemde, bijkomende, of vroeger eigene

(51) Jac. I: 25. II: 12. Eene zonderlinge vereeniging, vreemd Tooral voor hen, die aan Paulinische voorstellingen gewoon zijn, naar welke wet en dienstbaarheid steeds als onafscheidelijk voorkomen ; hetgeen dus juist het tegenovergestelde is van deze taal van jacobus. Zij is intusschen ontsproten uit het vrije Christelijke, hetwelk in den geest is, terwijl de letter nog van wet spreekt.

(52) Jac. 1 : 18. Hier is jacobijs , opdat ik het zoo uitdrukke, in de daad Paulinisch. liet is: »wij zijn Gods maaksel, geschapen in jezus ciimsTi s tot goede werken." Eph. II: 10.

(53) Jac. II: 14 volgg., vooral vs. 22,

Sluiten