Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemoed moest haar goedkeuren, de inwendige mensch had er behagen in; maar eene andere wet in zijne leden, de wet der zonde, in en door het vleesch heerschappij voerende, was met die Gods-wet in strijd en deed hem vaak doen wat hij niet wilde. Zoo moest hij uitroepen: Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen van het ligchaam des doods, van dit doodelijk geweld der zinnelijkheid? Hij voelde, en elk moest het evenzeer voelen, die, nog niet inwendig verbeterd, slechts onder den dwang der wet stond, dat, hoeveel kwaads er van tijd tot tijd mogt nagelaten worden, het kwade echter de overhand behield; gelijk ook reeds een Heiden zeide en menigeen het overnam: Ik zie het hetere en keur het goed, maar volg het slechtere. Nu hij allhans het Evangelie had leeren kennen en dat in hem een nieuw levensbeginsel geworden was, nu merkte by dit ellendige zijns vroegeren en des voormaligen menschelijken toestands eerst regt op, en hij zag hetzelfde allerwege in anderen (44).

2. De wet geeft zelfs aanleiding, dat de zonde opgewekt en vermeerderd wordt, niet gewis uit eigenen aard, zoodat zij als oorzaak der zonde zou moeten aangemerkt worden , maar uit hoofde van den in ons wonenden zondelust. Daarom spreekt paulus ■van de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, of de begeerten tot byzondere zonden, die door de wet worden in werking gebragt, en zegt vervol-

(44) Rom. VII: 14—24. Te regt merkt de Schrijver hier op in eene noot, dat, wat moeijelijks ook nog in enkele bijzonderheden deze plaats moge behouden, die haar een nader onderzoek waardig maken, het hier ontvouwde denkbeeld allerduidelijkst in haar doorstraalt.

Sluiten