Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwen door. Paulus geeft dit le kennen, als hij van de Heidenen zegt, dat zij, ten gevolge der wet, tn hunne harten geschreven, de dingen doen, die der wet zijn (55), en als hij den Joden, zich op hun eigen gevoel beroepende, het ongerijmde onder het oog brengt van op de wet te roemen en de wet te overtreden (56). Hoe zou hij ook anders van zich zeiven hebben kunnen zeggen, dat hij vroeger, naar de wet beoordeeld, onberispelijk was, hij, die meermalen verzekerde, dat niet het hoor en, maar het doen der wet werd vereischt, en die, terwijl hij in vollen ernst alzoo sprak van zijnen vorigen wandel, zynen zedelijken toestand bij denzelven als hoogst ellendig beschouwde (57)? En waar hij dien zedelijken toestand met levendige kleuren schildert, spreekt hij immers uitdrukkelijk Tan het goede te willen, heilagen te hebben in de wet Gods naar den inweridigen mensch, zoodat, sedert hij die wet kende en hare goedheid moest toestemmen, niet eigenlijk hij zelf, maar de in hem wonende zonde, het kwade deed, deed wat hij niet wilde? Hij toont dus te gelooven en uil eigene ondervinding te weten, dat met slechts op der menschen daden, maar ook e'enigzms op der menschen gevoel en gemoed wordt gewerkt door de wet, om in hetzelve zekere lust naar en toeleg op het goede te ontsteken (58). Is het vreemd? hoe zou de wet, die goed en kwaad doet

(55) Rom. II: 14 en 15. - Op de bij aant. 34 aangehaalde plaats van dit Tijdschrift wordt van nature gevoegd Lij do wet niet hebbende.

(56) t. •/.. p. vs. 17—33.

(57) Philipp. UI: 6, verg. Gal. 1: 14.

(58) Rom. Vit: 15, 16 , 19, 31 en 23.

Sluiten