Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten wagen, ten einde zoo nabij als ons mogelijk is, den zin er van te bepalen en de hoofddenkbeelden van paulus daarin aan te wijzen. Immers, alhoewel wij willen spreken -van paulus blik in de toekomst, mag het echter niet onbeslist blijven wat de Apostel in die toekomst zag, en dit dient wel in de eerste plaats onderzocht te worden, daar het den grond moet uitmaken, waarop wij, met hulp der geschiedenis, ons verder beloog moeten bouwen.

Al aanstonds zou, bij de beschouwing van des Apostels woorden, de bedenking kunnen opkomen, of het wel zoo zeer de toekomst is en niet veeleer het tegenwoordige, "waarop paulus zijnen blik vestigt, daar hij toch gewaagt van de toenmalige gesteldheid der Corinthische Gemeente? Doch wij moeten opmerken, dat, ja, de Apostel toen reeds vond, wat hij ter dezer plaatse beschrijft; maar dat dit hem juist aanleiding gaf aan de toekomst te denken, als waarin zou worden herhaald, wat hij nu reeds aanschouwde ; dit tegenwoordige was hem een beeld en voorleeken van helgene er vervolgens zou plaats hebben. Blijkbaar toch brengt de beschouwing van het loen aanwezige hem op de gedachte aan hetgeen er eenmaal zijn zou.

Wij behoeven slechts oppervlakkig voorls deze plaats uit den Brief van den Apostel in le zien, om te ontdekken , dat het oneigenlijke uitdrukkingen zijn, dat het beeldspraak is, waarvan hij zich hier bedient; cn dit juist vermeerdert de moeijelijkheid in de verklaring , daar een beeld altijd slechts bij vergelijking cn niet, gelijk eene eigenlijke uitdrukking, bepaaldelijk de bedoelde zaak ons aanwijst en uit dien hoofde dikwijls voor verschillende opvatting ruimte laat. Wat anders betreft de beelden en uildrukkin-

Sluiten