Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis, waar een Indische verpleegster ons naar het bed van Julia leidde.

Het meisje juichte blij toen ze den pater, haar trouwen vriend, zag binnentreden, en hief daarbij haar verminkte bruine handje bij wijze van groet aan het voorhoofd.

— « Hoe gaat het er mee, mijn kind ? » — De

pater lei glimlachend een paar oranjeappelen naast haar oorkussen en streek de zwarte haren van de zieke glad. Het meisje glimlachte dankbaar tegen.

— « Ziet », fluisterde de verpleegster ons toe en wees met een schuinen blik naar het temperatuurlijstje, « die hooge cijfers voorspellen niet veel goeds. Dat duurt nu al een week... »

Met de eene hand op het verhitte voorhoofd van de zieke, voelde de pater met de andere haar pols. Snel sloeg die, onrustwekkend snel.

« Julia, mijn kind, nog van avond keeren wij hier terug. Zou je niet gelukkig zijn, indien wij je Ons Heer brachten ? »

Innige erkentelijkheid en stille zaligheid straalden uit haar aangezicht.

— « Een zorgelijk geval », zei mijn gastheer, als wij buiten de drukte waren van ossenwagens, koelies, koopers en verkoopers, waar we doorheen moesten in den engen bazaarweg. « Toen Julia, door een van onze paters gezonden, hier aankwam, leek zij fleurig en welvarend. Opeens breekt de melaatschheid uit. Hoe liep ze die op ? Weet ik zelf niet. Wat het kind mij vertelt, schijnt mij haast ongelooflijk, zelfs hier in Indië. Wil je er meer over hooren, ondervraag dan mijn vriend, Pater Francis, die haar hierheen stuude... Luister. Je bent nog niet lang tot priester gewijd en hebt wellicht nog niemand het heilig oliesel toegediend. Indien... »

— « Oh, volgaarne, pater. »

IHS

Sluiten