is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezuïeten-missies; maandschrift, 1938, no 20, 01-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Verzet ?... Hijzelf kwijnde weg van den honger. In het huis van den zamindar kreeg zijn kind toch te eten... » — « Maar wie haalde haar dan uit die hel ? »

« Op den duur kon het meisje het er niet meer houden, ze liep weg en zocht een schuilplaats bij mij, op den missiepost. Daar mocht ze echter niet lang blijven : al te ras zou er iedereen de ware toedracht van haar geschiedenis achterhalen. Ik vertrouwde haar toe aan de zusters, die haar verder onderrichtten en lieten doopen. Voortaan heette zij Julia. Haar verdere geschiedenis kent ge wel...

« Haar ziekte, haar gelatenheid en haar zalige dood... »

LIEVER DOOD

Ook jegens kaste-Hindoes moeten de beginselen van het Hindoeïsme weieens hardvochtig worden toegepast.

In het hartje van Indië ligt de groote stad Nagpur. In een der voorsteden viel bij het water ophalen een vrouw den put in. Zij schreeuwt om hulp. Twee jongens komen toegestoven en maken reeds aanstalten om in den put neer te dalen. Doch er staat een vrouw toe te kijken : « Hola !

— Wat is er ?

Niet in den put dalen ! Die daar beneden is een kaste-Hindoesche. Als gijl ie het water raakt, zal het bezoedeld worden en de drenkelinge verontreinigen. »

Inderdaad, de twee jongens waren kasteloos, misselijke mahars, huidevetters.

Terwijl zich een theologisch gesprek ontspon over den besmettenden invloed der paria's, was in den put de vrouw omgekomen...

Het geval is echt gebeurd, in Mei 1934 (]).

(1 ) Volgens Gerard Baader in Studies, an Irish Quarterly Review, September 1937, blz. 399. Aanhaling uit den Examiner van 14 Mei 1934.

IHS