is toegevoegd aan uw favorieten.

Jezuïeten-missies; maandschrift, 1938, no 20, 01-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een luchtje te scheppen de spijsvertering wou bevorderen en zich in zijn te dodderigen doezel tegen een boomstam is moeten gaan aanleunen. Opgeschrikt door de aanstappende ploeg arbeiders heeft het heertje een gerekten schorren kreet geslaakt, doch blijft intusschen tegen den stam steunen.

Op het aanschrijdende troepje zou het eensklaps dreigend opduiken van een machinegeweer geen riller verwarring hebben geslagen dan deze kreet. Aan

weerszijden van den weg wippen zij het dras in, liggen er te waggelen, te slibberen, te ploeteren om toch maar weg te komen, eene hand voor den mond en luidkeels al maar door één en denzelfden klank herschreeuwend. Verrast toomt de blanke jongeman zijn paard in. Nu ruimbaan is gemaakt, stapt de bruine heer onverschillig naar stad terug.

Dan strompelen de tot over de ooren bemodderde ploeteraars het broek uit de straat weer op.

Ik ga mee.

De blanke ruiter kent de landstaal en spreekt dengene toe, die hem als de ploegbaas voorkomt : — Wat beteekent toch deze manoeuvre, vriend P Waarom maakten julie je zoo ijlings uit de voeten voor dat heerschap ?

— Ziet Mijnheer dan niet, dat wij onreine wezens zijn en dat wij ons dus weg moesten pakken om dien Brahmaan niet te bezoedelen ? Anders riep hij wellicht den toorn aller goden over ons af.

— Wat was dat woord dat ge maar niet afhieldt te herhalen ?

— Dat was het woord onrein ! onrein ! We zijn gedwongen door dien roep iederen Brahmaan die ons nadert te waarschuwen, dat we kasteloos zijn en onze nabijheid hem bijgevolg zou verontreinigen.

ï IHS