Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft uitgeoefend op de Indische kunst, maar dat de Mathura- eri Cupta-beelden als modellen dienden voor de tallooze Nepaleesche, Siameesche, Birmaansche, javaansche, Chineesche en Japansche Boeddha's.

B. - DE HINDOESCHE PERIODE

Bouwkunst.

De Hindoesche tempel is het huis waar de god « woont » en « leeft », waar hij wordt geprezen, aangeroepen en verzoend. Hij bestaat dan ook hoofdzakelijk uit het verblijf van het godsbeeld, het eigenlijke heiligdom, Vimana, Garbhagriba, en uit een ruim'e voor zijn vereerders, een bedehuis, Mantapa. Boven het heiligdom rijst meestal een toren.

De bloeicentra van het Hindoeïsme verschuiven stil aan zuidwaarts, eerst naar Orissa en het hoogland van Dekan, dan tot in de uiterste punt van het schiereiland, niet alleen omdat daar nieuwe machtige dynastiën heerschen, maar vooral omdat de Mohammedaansche invallers vanaf de achtste eeuw noordwestelijk Indië binnendringen.

Duidelijk zijn in de bouwkunst na den Guptatijd twee stijlen te onderscheiden : de Indo-Arische of Noord-Indische en de Dravidische of Zuid-Indische, gemakkelijk te herkennen aan den trant van hun torens. Deze torens bestaan, zooals vrijwel overal in het Oosten, uit een aantal verdiepingen die (zoowat in den aard van den scheeven toren te Pisa), telkens dezelfde architecturale motieven herhalen en de eene boven de andere tot een pyramide worden opgestapeld.

In den Noord-lndischen stijl werd vermoedelijk iedere verdieping zoo ineengedrongen en meteen hun aantal zoo vermenigvuldigd dat de vertikale lijnen de horizontale heelemaal gaan overheerschen, weldra zelfs omzeggens ononderbrokken doorloopen, en door opwaarts naar mekaar toe te buigen aan de Noord-Indische torens hun eigenaardig uitzicht geven : tot een lange ovaal opgetrokken koepels.

Typeerend voor dezen stijl zijn vooral de beroemde tempels in

i nb

Sluiten