Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheele leven en zijn); dewijl deze vier hel eigenlijk— goddelyke leven in God en menschen uitmaken. Maar de drie standen hebben 7.e in verschillende wijzigingen noodig, en in den tweeden stand moeien de Geleerden ze weder anders gewijzigd hebben dan de Beambten, en die weder anders dan de Regters, en nog anders de Krijgslieden.

Maar er zijn nog meer onderscheidingen, welke de opvoedkunde in 't oog moet houden, die der leeftijden. Er zijn vijf verschillende leeftijden, waarnaav de opvoeding ook verschillend gewijzigd moet zijn; die der kindschheid, des schoollijds, der jongelingsjaren, des aanvankelyk volwassenen leeftijds en des geheel volwassenen leeftyds (de laatste van 18 tot 24 jaren). In al deze verschillende leeftijden moet de opvoeder (dat is, de rijpere mensch, die den ontkiemenden en opschietenden mensch in zijne ontwikkeling behulpzaam is) in 't algemeen, a) alles ter zijde brengen, wat de zelfstandigheid van den opgevoed-wordenden verstoren of wel onderdrukken kan, en h) alles bijbrengen, wat de zelfstandigheid bevorderen kan. Doch beide moet naar de onderscheidene leeftijden des menschen op onderscheidene wijze en door onderscheidene inrigtingen gebeuren. De opvoeding behoort met de geboorte des kinds haar werk aan te vangen, ofschoon zij eerst bijna alleen verpleging kan zijn. Doch daar zonder geestelijke werkzaamheid geen geestelijk leven gedacht kan worden, moet zij ook reeds zeer vroeg beginnen met dc geestelijke krachten op te wekken en te verhoogen, opdat de wordende mensch zyne zedelijke vryheid goed gebruike en in den slryd van de zinnelijke drift met dc rededrift of van de zelfzucht met de liefde, dc laatsten de overwinning mogen behalen. Maar dit is onmogelijk zonder ken-

Sluiten