Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tam herleving van den mensch, van den gelieelen mensch, 7.00 als hij is, uit den dood waarmede dit aardsche leven eindigt; hij scheidt niet af, hij verbreekt niet, maar voegt alles te zamen. Op eene merkwaardige wijze zien wij dit, wanneer hij den Christenen loewenscht, dat hunne geheele geest en ziel en ligchaam onberispelijk bewaard worden in de toekomst van onzen Heer jezus Christus (3). En zoo is het steeds waar hij van opstanding spreekt; de mensch die in den doodslaap ter neder lag staat weder op, herleeft geheel als mensch met zyne persoonlijkheid

wordt aangevoerd , Matth X : 28, stelt het ligchaam dat menschen dooden kunnen, tegenover de ziel , het ware leven, dat

buiten hnn bereik is, en ziet dus op het ligchaam zoover het aardscli, aan den dood onderworpen is, zonder eene afgescheidenheid , eene bloote ziel zonder ligchaam te leeren. De opmerking daarvan oordeelen wij van eenig belang. Het geestelijke in den mensch maakt zijne geheele onderscheidene persoonlijkheid (individualiteit) niet uit. Wanneer wij zeggen dat dit geestelijke in den mensch voortduurt, hebben wij nog maar een onbepaald denkbeeld , voor onderscheiden voorstellingen vatbaar, geenzius de persoonlijke onsterfelijkheid des menschen. In de daad, men heeft bij de leer der onsterfelijkheid der ziele den mensch zoo ontligchaamd, dat er maar eene schaduw overbleef, en de latere Wijsgeeren zelve behoefte gevoelden aan eene meer persoonlijke voorstelling, dan het afgetrokken denkbeeld van onsterfelijkheid der ziel. Waarom het in de daad te verwonderen en met de geschiedenis der hedendaagsche wijsgeerte althans niet overeen te brengen is, dat men het Bijbelsche begrip van opstanding van dooden als een tijdsbegrip voorstelt, waarboven onze meer wijsgeerige denkwijze ons zoude verheven hebben. Het is integendeel dat begrip, waaraan wij tot geloof aan en voorstelling van persoonlijke onsterfelijkheid steeds behoefte hebben.

(3) 1 Thess. V: 23. Het is hier de plaats niet om te onderzoeken of paulüs alzoo drie bestanddeelen in den mensch erkend beeft. Het is ons genoeg, dat bij alzoo den gelieelen mensch, xonder uitzondering, voorstelde; en dit meenen wij ook dat zijn eenig doel met deze uitdrukking was.

Sluiten