Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het eerst noodige op het gebied der beroepskeuze-voorlichting, is een juist inzicht in de economische stuctuur der maatschappij, thans en in de toekomst, in de volstrekte onmogelijkheid om daarop, althans door den voorlichtingsarbeid positief in te werken, in de waarde van allen maat-

schappelijken arbeid — dat is alle arbeid om den broode — in de groote aanpassingsmogelijkheid van den mensch aan zijn werk en zijn omgeving, in de noodzakelijkheid der vreugde in den arbeid om den gemeenschapsdienst"

*

BEROEP EN LEVENSBESCHOUWING

III

B. H. DE GROOT

De overweging, dat het beroep zoo innig samenhangt met de levensbeschouwing, leidt van zelf tot allerlei gewichtige conclusies, waar het geldt het vraagstuk van voorlichting bij de keuze van een beroep.

Een eerste conclusie is deze:

Bij het werk der voorlichting zal degene, die zich met de voorlichting belast, zich wel degelijk hebben af te vragen, of het te kiezen beroep met de practische beoefening van de gekozen levensbeschouwing is over een te brengen. Wanneer immers het beroep ook in dienst moet gesteld worden van God en den beoefenaar moet brengen in de richting van zijn hooger levensdoel dan is van zelf een eerste en allervoornaamste vraag, of inderdaad het beroep, dat men zal gaan kiezen, ook in werkelijkheid daarmede is overeen te brengen Die overeenstemming nu, die er moet kunnen bestaan tusschen het te kiezen beroep en levensbeschouwing, wordt hier van zelf niet slechts in het algemeen Dedoeld, maar moet noodzakelijk in ieder individueel geval aanwezig zijn.

We kunnen ons immers niet slechts de mogelijkheid denken, dat een bepaald soort van beroep over het algemeen niet vereenigbaar is met de levensbeschouwing van

een bepaalde groep van menschen, omdat de omstandigheden, waaronder dat beroep moet worden uitgeoefend een voortdurend conflict uitlokken met de bepaalde plichten die men krachtens zijn levensbeschouwing heeft uit te oefenen; niet minder is denkbaar de mogelijkheid, dat in een bepaald concreet geval een bepaald te kiezen beroep voor dien bepaalden candidaat niet wenschelijk is, omdat het juist voor dezen — dus niet in het algemeen genomen — een beletsel of gevaar kan wezen om in dat beroep God volgens zijn levensbeschouwing te dienen.

Dit zijn inderdaad geen denkbeeldige gevallen, maar is volle levenswerkelijkheid, zooals ze meer dan eens ervaren wordt door degenen, die zich met jeugdleiding en voorlichtingsarbeid bezig houden. We kunnen hier echter nog verder gaan en wat we in negatieven zin bemerkten, ook in positieven zin toepassen.

We kunnen ons immers het geval denken, dat om bovengenoemde redenen verband houdende met een bepaalde levensbeschouwing, niet slechts een bepaald beroep moet worden afgeraden, maar zelfs een positief advies tot het kiezen van een bepaald beroep moet worden gegeven.

Stel het geval, dat uit verschillende om-

Sluiten