Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seminaria gedoceerd, waarbij gelegenheid werd gevonden de deelnemers aan den cursus grondig in te lichten in de volle levenspraktijk van hun ambt.

Door voordrachten met lichtbeelden werd menige les verduidelijkt; voor een gedeelte werden de lessen gegeven in fabrieken, een warenhuis, in het militair-geografisch instituut en in de staatsdrukkerij, zoodat volle gelegenheid bestond met de werkelijkheid van het leven kennis te maken. Het is vooral op dit laatste, dat volgens

de beschrijving van dezen cursus in Arbeit und Beruf gegeven, de aandacht wordt getrokken.

Men heeft dezen cursus willen maken niet louter tot een theoretische vooirlichting, maar vooral tot een school van practisch onderricht. Dit is in het bijzonder de beteekenis van dezen tweeden Oostenrijkschen cursus geweest, en het is vooral daarom, dat we even de aandacht voor dezen cursus wilden vragen. .

KLOOSTERROEPING IV: WAT EISCHT DE KERK ?

Bij het doorbladeren van het Kerkelijk Wetboek valt het op, dat er wel sprake is van roeping tot den priester staat: men zie can. 1353 en can. 1357 § 2, maar met geen enkel woord van roeping gerept wordt in de bijna tweehonderd canons over den kloosterstaat 487—681. Het feit is van te meer beteekenis, wijl er tot het priesterschap behalve die z.g. inwendige roeping, nog een officieele- of gezagsroeping is, waarvan men slechts in zeer oneigenlijken zin spreken kan ten opzichte van het kloosterleven, zoo men althans niet alle begrippen verwarren wil. We meenen in dat stilzwijgen van het ^JCetboek een bewijs te mogen zien, dat eene bizondere roeping tot het kloosterleven of niet noodig is, of ligt in de uitnoodiging van Christus en het vertrouwvol willen, zooals in de vorige artikelen werd aangegeven. In die meening worden we bevestigd door verschillende andere canons van hetzelfde Wetboek. De eerste canon van Boek II Titel XI Over de toelating tot het klooster, canon 538, luidt letterlijk: „Kan tot het klooster worden toegelaten elk katholiek, die door geen enkel wettelijk beletsel weerhouden en door een goede bedoeling geleid wordt, en

geschikt is om de lasten van het klooster te dragen". Onder klooster verstaan we met het rechtboek elke kloostergemeenschap. Uitzonderingsgevallen daargelaten, waarin zich tegen opname een bizonder beletsel voordoet, vordert de H. Kerk alleen een goede meening en geschiktheid. Feitelijk is die tweevoudige eisch niets anders, dat wat we vertrouwvol willen genoemd hebben. Zonder zelfbedrog kan geen ongeschikte voorgeven de goede en juiste meening of bedoeling te hebben, of den ernstigen wil om door aanwending van bepaalde middelen naar een bepaald doel, hier de zelfvervolmaking, te streven. Bij de uitdrukking „willen en vertrouwen" wordt de geschiktheid verondersteld, gelijk het vertrouwen bij de „goede bedoeling": het is de wil, die bedoelt door gebruik van middelen, en hij kan het vertrouwen niet missen, als voor het gebruik der middelen en het verwezenlijken van het doel de eigen krachten ontoereikend zijn en Gods hulp onontbeerlijk. De „goede bedoeling" heet „vrome wil" in canon 552.

Opvallend is het, hoezeer de kerk staat op den vrijen wil van den betrokken persoon, en hoe zij voor die vrijheid opkomt.

Sluiten