Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOOFSTOMHEID EN DOOFSTOMMEN

IV

Aantal doofstommen: Wat het aantal doofstommen betreft, behoort Nederland tot de meest bevoorrechte Staten. Dit blijkt duidelijk uit de volgende opgave die Prof. Dr. Zwaardemaker op 18 Nov. 1913 in de sociëteit „Amicitia" te Eindhoven verstrekte aan de leden van het Natuurkundig Genootschap aldaar:

Nederland 39.34 op de 100.000 inw.

België 39.34 op de 100.000 inw.

Spanje 46 op de 100.000 inw.

Engeland 49 op de 100.000 inw.

Schotland 53 op de 100.000 inw.

Italië 54 op de 100.000 inw.

Frankrijk 58 op de 100.000 inw.

Denemarken 65 op de 100.000 inw.

Griekenland 65 op de 100.000 inw.

Ierland 72 op de 100.000 inw,

Portugal 75 op de 100.000 inw.

Noorwegen 95 op de 100.000 inw.

Duitschland 96 op de 100.000 inw.

Hongarije 108 op de 100.000 inw.

Zweden 111 op de 100.000 inw.

Finland 116 op de 100.000 inw.

Oostenrijk 131 op de 100.000 inw.

Zwitserland 245 op de 100.000 inw.

Als wij hierbij nog opmerken, dat het

aantal doofstommen in Nederland naar de volkstelling van 31 Dec. 1889*) 43.8 bedroeg op de 100.000 inwoners, dan kunnen wij ten opzichte van ons vaderland dus twee verblijdende feiten constateeren: lo. dat in geen land van Europa, ook in verhouding tot de bevolking, minder doofstommen voorkomen, en 2o. dat er ook het aantal doofstommen afneemt. Wij moeten hierbij echter een dubbele opmerking maken.

') Bij de volkstelling van 31 Dec. 1899 heeft geen telling der doofstommen plaats gehad.

lo. In bovenstaande opgave is alleen wat betreft Nederland, rekening gehouden met de gegevens der volkstelling van 1909. De cijfers, die achter de namen der andere landen staan, zijn opgaven van veel vroegeren datum. Zoo is de opgave van het aantal doofstommen in Duitschland van 't jaar 1871. Daar het aantal doofstommen in schier alle landen dalende is, moet dus ook voor die andere landen het percentage lager gesteld worden en is het verschil met het percentage in Nederland niet zoo groot als boven is voorgesteld1). Een tweede, meer gewichtige bemerking is echter deze, dat het aantal doofstommen in Nederland beslist grooter is dan in de statistiek der volkstelling in 1909 is opgegeven. Wij hebben dit in een bijlage van ons jaarverslag over 1912 duidelijk aangetoond. — Ten bewijze dat de opgaven der volkstelling verre van nauwkeurig zijn, deelden wij o.a. mede:

lo. dat wij minstens 58 plaatsen in Ne-derland konden opnoemen, waar volgens de statistiek van 1909 geen enkele doofstomme woont en waar alleen van ons instituut ten minste 73 oud-leerlingen woonden en op enkele uitzondering na, in 1912 nog woonden; verder nog wel een 25 a 30 plaatsen, waar heel wat meer doofstommen woonden dan de statistiek vermeldt. 2o. dat in die statistiek verschillende kinderen zijn opgegeven als hebbende doof-

') Dit bleek ons ook duidelijk uit een nader onderzoek ten opzichte van sommige landen. — In Oostenrijk telde men bij de volkstelling van 1899 28084 doofstommen, d.i. 116 op de 100.000 inwoners. — Volgens eene opgave ons verstrekt door den heerGregor Schmutz, Taubstummenlehrer aan het Instituut van Grasz (Stiermarken), bedroeg dit aantal bij het einde van 1910 nog slechts ruim 114. In Duitschland bedroeg het aantal tusschen de jaren '1902—1905 77 op de 100.000. — Een groot verschil dus met 131 en 96. De volkstelling van 1901 wees voor Frankrijk nog aan 58 doofst, op de 100.000 inw. (M. Thollon).

Sluiten