Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stommen-onderwijs genoten, die nog voor geen enkel school-onderwijs vatbaar zijn, kinderen van 5, 4, 3, ja van 2 jaar! 3o. dat er een menigte doofstommen zijn opgeteekend, als hebbende geen doofstommen-onderwijs genoten, die wel degelijk aan dat onderwijs hebben deelgenomen. Wij noemden ook tal van plaatsen op, waarvan de opgaven onder dit opzicht, nog maar alleen in aanmerking genomen onze oud-leerlingen, foutief zijn.

Nu schijnt het ook waar, dat er plaatsen zijn, waar te veel doofstommen zijn opgegeven. De Amsterdamsche arts Dr. P. A. de Wilde, die zich voor de doofstommenstatistiek zeer verdienstelijk gemaakt heeft, deelt in zijn brochure Onderzoek naar de erfelijkheid en bloedverwantschap bij de doofstommen in Nederland mede, dat hem gebleken was, dat van de bij de volkstelling opgegeven doofstommen (2305) 144 niet doofstom waren.

Eenigszins heeft deze mededeeling ons wel bevreemd, daar wij wel plaatsen in overvloed ontdekten waar men te weinig doofstommen heeft opgegeven, geen enkele echter waar te veel doofstommen werden opgeteekend.

Wellicht is dit zoo te verklaren, dat Dr. de Wilde er vele niet als zijnde doofstom beschouwt, die daarvoor door vele anderen wel gehouden worden. Dr. de Wilde zegt toch in genoemde brochure op. blz. 3: „Aan den anderen kant zijn er, voor zoover ons bekend, 144 opgegeven als doofstom, die dit niet zijn — sommigen wel doof, zij het soms stokdoof". — En een weinig verder: „Onder de doofstommen hooren feitelijk ook niet thuis een 100-tal, die behalve de doofheid een algemeen lijden hebben, zooals krankzinnigheid, idiotie, verlammingen, zoodat de doofheid als een onderdeel van het geheele lijden van het centrale zenuwstelsel is te beschouwen".

Dat kunnen wij en zullen zeker velen met ons niet kunnen toegeven. Iedereen moet toegeven, dat krankzinnigen, idioten, enz. die tevens werkelijk doof zijn, tot de doofstommen gerekend moeten worden. Zij mogen niet, zooals dit bij genoemde volkstelling geschied is, gerekend worden tot degenen die geen voor hen bestemd onderwijs hebben genoten, om reden dat zij voor geen onderwijs vatbaar zijn, en het doel dier volkstelling met betrekking tot de doofstommen vooral was, te onderzoeken, hoe groot het school-verzuim was onder de doofstommen, hoevelen er door nalatigheid der ouders en om dergelijke redenen van doofstommen-onderwijs verstoken bleven. Doch niemand zal betwisten, dat die menschen werkelijk ook doofstom zijn. Dan moeten er ook velen zooals boven reeds is uiteengezet, tot de doofstommen gerekend worden, die niet totaal doof zijn, zelfs nog aanmerkelijke gehoorresten hebben; — ook al vele kinderen, die doof geworden zijn, doch nog in het volle bezit zijn der spraak.

Wij weten niet, of Dr. de Wilde hiermede genoegzaam rekening heeft gehouden. Doch, mocht dit ook zijn, ook dan nog blijft het onze overtuiging, dat er veel meer doofstommen zijn in Nederland dan de statistiek opgaf.

Behalve de bewijzen, die wij zooeven voor onze meening aanhaalden, bestaat er nog een ander, alweder in de statistiek zelve te vinden. Zij geeft maar 186 doofstomme kinderen op van den leeftijd van 1 tot 7 jaar, terwijl zij er 423 opgeeft van den leeftijd van 8 tot 14 jaar. Dit kan weer niet zoo zijn en het is volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat het eerste cijfer met drie vermenigvuldigd moet worden. Wij hebben dit in bedoeld jaarverslag duidelijk genoeg naar wij meenen aangetoond,

Intusschen zal waarschijnlijk ook in an-

Sluiten