Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardrijkskunde, lezen en Nederlandsche taal bieden ruim gelegenheid cim verschillende van de hoofdambachten en bedrijven terloops te bespreken. Dan bestaan er series wandplaten, waarmede hij het besprokene kan verduidelijken. Kan de onderwijzer de hoofdberoepen behandelen in een afzonderlijke cursus, dan zal dit in sommige omstandigheden mog beter werken. Hij kan ook de kinderen opmerkzaam maken op verschillende groote bedrijven uit eigen gewest en omgeving en, zoo mogelijk, bij schoolwandeling daarheen eens een uitstapje maken. Zóó begint het toekomstige beroep weer voor de kinderen te leven en wordt bij hen aangekweekt ook een meer eigen en zelfstandig begrip in verband met de keuze, die moet gemaakt worden. Daarenboven zal ook het onderwijs, wijl het contact zoekt met het leven, in aantrekkelijkheid winnen.

Zijn dit allen middelen om bij het kind belangstelling voor het gewichtige vraagstuk van de beroepskeuze te wekken, en langs dien weg het vraagstuk meer naar voren te brengen, de school moet verder gaan en nog een meer actief aandeel nemen aan de oplossing van het vraagstuk. De onderwijzer moet positief medewerken bij het verstrekken van een goede en doelmatige voorlichting.

Ook dit kan de school weer op verschillende wijzen. Vooreerst moet er innige samenwerking zijin tusschen de school en het instituut van de voorlichting bij beroepskeuze, zoo ter plaatse een dergelijke instelling bestaat. Niet slechts dient zij haar kinderen bij het verlaten der school tijdig naar deze instelling te verwijzen, doch daarenboven moet zij er prijs op stellen aan het bureau voor de beroepskeuze ook alle inlichtingen te verschaffen, die het voor zijn arbeid noodig heeft.

Om dit laatste op bevredigende wijze te

kunnen doen, dient de school zich daarop zooveel mogelijk in te richten. Zeker zullen de gegevens van den onderwijzer altijd waardevol materiaal blijven, om aanleg en geschiktheid van den candidaat te kunnen beoordeelen; doch wanneer de school systematisch en oordeelkundig die gegevens heeft bijeengegaard, zal daaruit een rijke schat van voorbereidende arbeid groeien, waardoor het vaststellen van een juist eindadvies zeer veel vergemakkelijkt wordt. Hoe de onderwijzer deze gegevens kan verzamelen is bekend.

We verwijzen hier slechts naar de „Handleiding voor psychologisch onderzoek op de school" van Prof. Dr. F. Roels en Joh. v. d. Spek.

De persoonslijsten van deze handleiding imet daaraan toegevoegde opgave van gelegenheden, waarbij de waarneming kon geschieden alsmede opgave van eenvoudige tests stellen den onderwijzer op een betrekkelijk gemakkelijke wijze in de gelegenheid de physische, psychophysische en psychische eigenschappen en vaardigheden vaa zijn leerlingen in haar samenstellingen te ontleden. Het psychogram, dat daaruit wordt opgebouwd, zal van groot belang zijn niet slechts voor de vaststelling van het te kiezen beroep, maar ook voor den onderwijzer iini verband met de inrichting van zijn onderwijs.

Natuurlijk zal men zonder voorafgaande studie deze methode van onderzoek op de school niet kunnen toepassen; zij eischt van den onderwijzer voorbereidende adbeid. Doch wanneer het waar is, wat in genoemde handleiding in het inleidend woord wordt gezegd, dat ,,de maatschappij het eerst een beroep doet op den onderwijzer voor de oplossing van het voor haar zoo vitale vraagstuk van „de rechte man op de rechte plaats", dan imogen de onderwijzer en de school zich niet aan dezen arbeid

Sluiten