Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1881-82 tot 1923-24 en betreft alléén, de vier openbare universiteiten.

Ook de Technische en andere hoogescholen zijin buiten beschouwing gelaten. Welnu, terwijl de bevolking in de jaren tusschen bovengenoemde cursussen steeg van ruim vier tot omstreeks zeven millioen, werd het aantal studenten aan die Universiteiten verviervoudigd.

In 1895 waren er voor de rechtswetenschap 533 studenten, tegen 1169 in 1923. Voor de wis- en natuurkunde waren de cijfers resp. 344 en 1289; voor de letteren en wijsbegeerte 176 en 785.

Natuurlijk steeg ook het getal der professoren en lectoren.

In Amsterdam kwam men van 63 in 1914 op 75 in 1924.

Er zijn thans aan de vier openbare universiteiten 65 hoogleeraren in de medische faculteit werkzaam en 79 in de faculteit der wis- en natuurkunde. Begrijpelijkerwijze namen de kosten eveneens toe.

En zelfs in zeer ruime mate. Te Amsterdam zijn ze in de jaren 1900— 24 vier en een half maal zoo groot geworden en van ƒ 376.632 tot ƒ 1.693.052 opgeloopen.

In 1900 gaf het Rijk uit voor Leiden en Utrecht resp. ƒ 762.272 en ƒ 437.227; in 1924 waren deze bedragen gestegen, resp. tot ƒ 2.426.540 en ƒ 2.503.087.

Kwam te Groningen in 1900 het Rijk een student te staan op ƒ 1054, in 1924 was het ƒ 1731.

Nogal sprekende cijfers, inderdaad. De „Rotterdammer" maakt er de gevolgtrekking uit, dat we op dezen weg niet kunnen voortgaan en dat wij in dezen tijd van bezuiniging, op wetenschappelijk gebied heel erg boven onzen stand leven. In hoeverre dit juist is, blijve hier thans onbesproken.

Maar de toename, waarvan de bovenvermelde cijfers getuigenis geven, stellen ons ongetwijfeld voor een probleem, waarvan de ernst niet valt te ontkennen en waarvoor het niet gemakkelijk zal zijn een toch noodzakelijke oplossing te vinden.

Centrum 21 Aug.

V

Een nieuw bureau voor Beroepskeuze: In „Gezin en School" vinden we een artikeltje van den inspecteur van het Middelbaar Onderwijs, den heer G. Bolkestein, over bovenstaand onderwerp, waarin hij er op wijst hoe moeilijk het tegenwoordig bij de overvoerde markt voor het intellect is om een behoorlijk bestaan te vinden, zoowel voor de jongelui, die een „einddiploma" haalden, als voor hen, die hun universitaire studiën hebben beëindigd. „Ons land, met zijn reeds zoo dichte bevolking, ziet een vermeerdering van het inwonersaantal met ongeveer honderdduizend per jaar, en wie maar iets van de „arbeidsmarkt", vooral die der zoogenaamde intellectueelen afweet, ziet dit met bezorgdheid aan. Op menig spreekuur, waartoe mijn functie leidt, geraak ik diep onder den indruk van de zorgen en het groote verdriet soms, waartoe onze intellectueele overbevolking voert. Men zoekt werk, is volkomen bereid alles aan te pakken, maar men vindt niets.

Ook anderen staan in verlegenheid, zij deze ook minder dan de vorige. Zij hebben kinderen, voor wie een studierichting nog gezocht moet worden; maar zouden vooraf gaarne weten, welke mogelijkheden aan iederen weg verbonden zijin. En zij kloppen hier of daar aan om raad. Nu kan menigeen door den aard van eigen betrekking in meer of imindere mate op de hoogte zijn van de wegen en middelen om tot menig intellectueel beroep te geraken, en dus raadsman zijn voor velen. Maar een volledig over-

Sluiten