Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nomen om thuis te helpen. In Augustus meldde hij zich pas hij het Bureau aan. Plaatsing in een 6e klasse was toen niet meer mogelijk. Moeder wist van het bestaan van het Bureau niets af en was daardoor niet eerder (gekomen. In dit geval had veel voorkomen kunnen worden als de onderwijzer den leerling bijtijds op het bestaan van het Bureau had gewezen. In dezelfde subcommissie, die het bovengenoemde geval behandelde, kwam ter sprake het feit, dat op sommige scholen achterlijke kinderen blijven, die beter op een school voor buitengewoon onderwijs terecht zouden zijn geweest. Het gevolg is, dat kinderen, die op den leeftijd van 7 jaar naar een achterlijke school hadden moeten worden gezonden, op de lagere school niet mee kunnen en dan bijv. op 15-jarigen leeftijd uit de 4de klasse zich bij het Bureau vervoegen.

Voor een herhaald bezoek kwamen 10.543 kinderen, n.1. 8193 jongens en 2350 meisjes.

Het aantal adviezen betreft dus 1517 + 3129 = 4646 jongens en 494 1538 = 2077 imeisjes.

In het vorige jaarverslag is reeds duidelijk igemaakt, dat het aantal adviezen niet overeen kan komen met het aantal aanmeldingen, doordat in vele gevallen, behalve een beroepsadvies ook nog een onderwijsadvies wordt verstrekt en een aantal gevallen pas in het daarop volgende dienstjaar kan worden afgedaan.

Bij deze bezoeken zijn niet gerekend die van personen, welke het hoofd van het Bureau voor inlichtingen van verschillenden aard persoonlijk wenschen te spreken. Een aparte regeling werd nog getroffen voor de kinderen der Vereeniging Hulp voor Onbehuisden. Zij werden in de gelegenheid gesteld groepsgewijze met den leider op het Bureau te komen. De directeur

der vereeniging kreeg later schriftelijk mededeeling van de verstrekte adviezen. Het aantal keuringen, dat het Bureau liet verrichten, bedroeg in het verslagjaar 360, waarvan 293 voor jongens en 67 voor meisjes. In totaal zijn 73 keuringen minder verricht dan het vorige jaar, waarschijnlijk als gevolg van het feit, dat de geneeskundige verklaringen op de leerlingkaarten een extra keuring minder noodzakelijk maken. Voor psycho-technisch onderzoek kwamen in aanmerking 176 jongens en 17 meisjes. Onderzoek naar de geschiktheid voor een bepaald beroep werd verricht bij 117 jongens en 13 meisjes; onderzoek in het algemeen bij 59 jongens en 4 meisjes. Van de 117 jongens en 13 meisjes, die voor een bepaald beroep onderzocht werden, bevond men 63 (59 jongens en 4 meisjes) wel voor het beroep geschikt; 38 (32 jongens en 6 meisjes) ongeschikt; van 29 (26 jongens en 3 meisjes) kon geen definitieve geschiktheid of ongeschiktheid geconstateerd worden. Behalve de vele gevallen, waarin het Bureau zich richtte tot huisartsen en specialisten, werd veel samengewerkt met de Vereeniging tot bestrijding der tuberculose en met de orthopaedische kliniek. Hierbij doen zich zoowel bij de adviseering als bij de plaatsing ook veel moeilijkheden voor; in enkele gevallen konden deze minder geschikten nog geholpen worden.

In totaal werden aan 308 scholen leerlingkaarten gezonden. Eenige scholen waren nog in het bezit van een voldoend aantal kaarten.

Het Bureau ontving 9272 kaarten van 310 scholen ingevuld terug, n.1. 6275 met Mei van 213 scholen en 2997 met November van 97 scholen. 5 scholen bleven weigerachtig kaarten in te zenden, één school zendt alleen kaarten van de kinderen, die de school verlaten en één school van de kinderen uit de 6e klasse. Over deze aan-

Sluiten