Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slonds: »Onreine geest ga uit van dezen mcnsch!" En toen Hij hierop ten antwoord ontving: »Wat hebt Gij met mij te doen, jezus! Zoon des Allerhoogsten Gods, ik bezweer u, dat gij mij niet pynigt vraagt jezus hem, om hem tot kalmte en vertrouwelijkheid te wekken: «Hoe is uw naam?" Dit schijnt op den bezetene reeds zooveel uit te werken, dat hij begint te gevoelen, dat het jezus vaste voornemen is, om hem van zijne kwaal te verlossen. Hij bidt daarom in den naam der boozc geesten, dat Hij hun niet zou gebieden in den afgrond te varen. Maar in den waan, dat toch de geesten, die in hem heerschen, in een ander ligchaam moeten overgaan, bidt hij, dat Hij hun wille toestaan, om in eene nabij zijnde kudde zwijnen te varen. Jezus laat dit toe; er ontstaat, door eene niet vermelde oorzaak, op hetzelfde oogenblik verwarring onder de kudde, de bezetene ziet het, en, door in te gaan in zijnen geest, heeft jezus den tegenstand overwonnen, den ellendige van zijne dwaling genezen, hem, van het standpunt des waanzinnigen uit, van zijne kwaal verlost en aan zich geboeid (8).

Een andere ongelukkige, aan alle leden verlamde, wordt daar door het dak des huizes voor jezus voelen neergelaten. De verwachting van genezing js reeds bij de zaamgedrongene menigte hoog gespannen. En ziet! daar hoort men het verrassende woord: » Wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven." Waarom, vraagt men, met deze genadegift begonnen? Deels om den ongelukkigen, maar gewisselijk ook

(8) Matth. VIII: 2?—34. Mare. V: 1—17. I.uc. VIII: 2o—35. M\ttiieus gewaagt van tuccy marcvs en ldcas slechts van ccncn bezetene.

Sluiten