Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teregtwijz.ing. En zoo zeer stonden <lc scharen cr over verbaasd, dat de Heer alzoo ondoordachlen en vermetelen tegenstand wist te doen zwichten, dat zij Hem niets meer durfden vragen (2).

Na nog eene mislukte proef van de zijde der Pliariseën, om jezus te verstrikken, en wel bepaaldelijk door de vraag naar het grootste gebod (3), achtte jexus de beurt des vragers ook aan zich gekomen en legt ook daarbij weêr de Hem eigene bijzonderheid in zijne leerwijze aan den dag. Zijne tegenstanders vonden aanstoot in heigeen Hij van zich als den Zoon ■van God verklaarde. Van hun standpunt wil Hij hun tot het bewustzijn brengen, dat de Christus in eenen hoogeren zin, dan zij meenden, Gods Zoon is, en vraagt hun daarom: »Welke is uwe gedachte aangaande den Christus, wiens Zoon is Hij?" Men antwoordt: »Davids Zoon." En hierop vraagt nu jezus, hoe david Hem dan in heilige geestverrukking zijnen Heer kon noemen, daar Hy zeide : » De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: »Zit aan mijne regterband, opdat ik uwe vijanden zette tot een voetbank uwer voeten" (4). Hieruit vloeide natuurlijk de vraag van jezus: »Indien david Hem zijn Heer noemt, hoe is Hij dan zijn Zoon?" De vijanden hadden niets te antwoorden. Zij hielden den CX Psalm voor een Psalm van david. En door dit woord van david zagen zij zich dus genoodzaakt te erkennen, dat hunne oppervlakkige begrippen van den Messias als Zoon van david op verre na niet strookten met de verhevene gedach-

(3) Matth. XXII: 23-33. Mare. XII: 18-27. Luc. XX: 28-40. (3^ Matth. XXII: 34—40. Mavc. XII: 28—34.

(4) Ps. CX: 1.

Sluiten