Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meest algemeene, eenvoudige, onschuldige beteekenis van het woord (5). Maar deze wereld lief te hebben, en dien ten gevolge aan begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkeid der oogen en grootschheid des levens — met andere woorden, aan wellust, gouddorst of hoogmoed zich prijs te geven — dat is, uit de wereld zijn (li); of, in zich hebben en aankweeken eenen, en bot vieren aan eenen lust , die regtstreeks tegen den wil van God en de liefde jegens Hem overstaan (7); eenen zin en lust, die het wezen uitmaken der menschen, die niet zijn uit God (8), en die, als zoodanig, gezamenlijk de tvereld heeten (9). Die wereld nu is duisternis (1), en staat, als zoodanig, over legen God, die licht is, en in wien volstrekt niet de minste duisternis is (2). Daarom kan er dus geeue gemeenschap iusschen haar en God, of Iusschen hen , die in de duisternis wandelen , en Hem, die in het licht is, bestaan (3). Er hecrscht in hen en God een geheel ander, een tegenovergesteld beginsel. God is de Waarheid en daarmede tevens de Reinheid zelve. Zij beminnen heigeen onwaar en daarmede levens onrein is. Hiervan zijn natuurlijk uitgezonderd diegenen, die, gelijk wij straks zien zullen (4) , vroeger buiten het Christendom als Joden of Heidenen staande, echter eene deszelfs aanneming voorafgaande vatbaarheid in zich omdroegen. De eerslgenoemden, onder het woord wereld bij den

(5) 1 Joh. II : 15-17. IV: 1 , 3. W II: 16. (7) j|. 17) lg>

(8) IV: 3, 6. (9) IV: 4, 5. V: 4, 5.

(I) Et. Joh. I: 5. (2) 1 Joh. I: 5.

I: 6) (4) bi. 465.

Sluiten