Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met sterken onwil, over hen uit, die, vroeger in de gemeenschap der Christenen opgenomen, haar, met verloochening van de ware menschheid in den persoon des Zaligmakers, hadden verlaten (9). Hunne verschijning was den Apostel een teeken, dat het de laatste ure was, zoo als de Heer zulke anti "Christenen ten dage zijner toekomst, gelijk Hij het noemde, had doen verwachten (l). Doch, verlieten zij nu de Christelijke gemeenschap, waarvan zij een metderdaad ongelijksoortig bestanddeel uitmaakten: zij hadden er ook nimmer wezenlijk toe behoord; zij waren met een vreemd levensbeginsel, hoe? daar binnen gekomen ; en hadden zich dan ook binnen den kring der wereldschgezinde menschen, met wie ze naast verwant waren, teruggetrokken (2).

Johawses drukt, van hen sprekende, nog met bijzonderen klem op het scherp afgeslotene en in zich bestendige der Christelijke gemeenschap. Waren ze uit ons geweest, zegt hij, ze zouden met ons gelieven zijn. Maar hij weet ook het weldadige en voordeelige van zulk eene afscheiding te doen uitkomen. Zoo moet het openhaar worden, zegt hij, dat ze niet allen uit ons zijn.

(9) X Joh. II: 18, 19,28,26. IV: 1-4.

(1) Matlh. XXIV: 24. (2) 1 Joh. II: 19. IV: 3.

Sluiten