Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbijgaat (I); ja zelfs roemde hij in de verdrukkingen (2). Waarom? Hij zegt dat reeds in de beide laatste verzen van H. IV: Onze ligte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt omeen gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid , dewijl wij niet aanmerken (niet ons oog en uitzigt gevestigd hebben op) de dingen die men ziet, maar (op) de dingen die men niet ziet. Maar duidelijker nog ontvouwt hij dat in den aanvang van het \0 Hoofdstuk, waar hij zijne verwachting voor de eeuwigheid naar derzelver voorwerp, hoedanigheid en zekeren grond volkomen uitspreekt: » Want wij weten," zegt hij, (niet wij wenschen of hopen, maar, wet volkomene zekerheid, wij weten), » dat, wanneer ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken (dit tegenwoordige, vergankelijke, sterfelijke ligchaam afgelegd) wordt, wij een gebouw van God hebben (niet zullen ontvangen, maar hebben, alsof wij 't reeds hadden), een huis, niet met handen gemaakt (een ligchaam , eene woonstede voor den geest, niet vergankelijk, gelijk dit aardsche), maar eeuwig in de hemelen" (.3). Hij verwachtte dus, dal hij met dat onvergankelijke ligchaam in den hemel zou inwonen; daar, waar Christus was in heerlijkheid, en waar allen, die met

(1) S Cor. IV: 17. (2) Rom. V: 3.

(3) 3 Cor. V: 1 verv. 1'aiivs noemt hier zijn tegenwoordig, aardsch ligchaam, dat hem, zoolang hij in dit leven was, ten huis of verblijf verstrekte, eigenaardig een tabernakel of tent (axt/yog), die voor een korten tijd opgeslagen en dan weer afgebroken wordt; maar het ligchaam , dat hij na den dood wachtte, noemt hij even eigenaardig een gebouw (oixoSo/a/, oixtjz^iov), en wel een eeuwig gebouw, om de duurzaamheid, onsterfelijkheid van dit ligchaam uit te drukken. In den le" Brief aan de Cor., II. XV, vs. 35-50, had hij dat hemelsche ligchaam, 't welk hij na den dood zou hebben , uitvoerig beschreven.

Sluiten