Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jezus was cn is. Wat daarvan in den Christen is, dat is uit God. Wat buitendien in hem is, dat is niet uit God, dat is zonde. En waar de zonde nog hecrscht, de zin cn wil nog niet gerigt is tot God en het goede, daar is geen eeuwig leven cn dus ook gecne zaligheid. Maar, is het hart geopend voor den geest van God en christus ; is het gemoed in de waarheid cn de liefde aanvankelijk geheiligd; is de zin en lust niet in hetgeen het vlccsch begeert, maar is de begeerte lol hetgeen waarachtig goed is, en zouden wij daar in en daarvoor ecnig en alleen willen leven en werkzaam zijn, vrij van alle belemmering, met zelfverloochening en zelfopoffering, waar die gevorderd wierd, — dan hebben wij het eeuwige leven door jezus christus, en de grond is gelegd, waarop wij de verzekerdheid onzes geloofs kunnen bouwen. Waar dat Christelijke, dat Goddelijke, dal eeuwige leven gemist wordt, en naar de mate waarin dat gemisl wordt, ontbreekt ook de vaslc grond der hope, het onderpand des heiligen geesles (4).

Zal echter die hope vast en levendig in den Christen worden, en de verwachting voor de eeuwigheid zeker in hem zijn, dan moet hij niet alleen het eeuwige leven kennen cn hebben, maar zich daarvan ook bewust zijn.

Die bewustheid, zou men haast zeggen, doet hier alles af. Buitendien zoekt men ligt den grond zijner verzekerdheid daar, waar die niet le vinden is, en of men vindt dien niet en begint te wanhopen, of men meent dien te 'vinden en bedriegt zich zclvcn.

(4) 2 Oor. V: 5.

Sluiten