Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heet het op Joh. V: 13, «door een woord of een' wenk verlossen." Maar 't geen voor God niet noodig was, was wel noodig voor de menschen; 't geen voor God had kunnen wegblijven, kon dit niet om der menschen wille. »God kon ons door een woord of een' wenk verlossen," zegt hij en voegt er bij: »indien het Hem niet om onzent• wille goed had gedacht, om zijnen eigenen en eengeborenen Zoon niet te sparen." Met deze voorstelling, om dit in 't voorbijgaan op te merken, valt reeds de harde Anselmiaansche leer en gaat in eene zachtere over.

Vraagt men, waarom dan 't geen niet noodig was voor God, wel noodig was voor de menschen? Cal"vijn heeft hier verschillende antwoorden op; vooreerst dit, dat God door zulk een groot offer voor de menschen te brengen, wilde toonen, hoezeer Hem hun geluk ter harte gaat, en derhalve de onvergelijkelijkheid zijner liefde op hel duidelykste wilde bloot leggen. » Om onzentwille dacht het Hem goed," schrijft hij op Joh. XV: 13, » zijnen eigenen en eengeborenen Zoon niet te sparen, opdat Hij hel in zijnen persoon zoude beloonen, hoezeer Hem onze zaligheid ter harte gaat." En dit wilde Hij betoonen, opdat wij door die voorkomende liefde van God tot hartelijke wederliefde zouden bewogen worden. »Maar nu," dit toch laat hij op de aangehaalde woorden volgen , »moet men dan ook een meer dan stalen of steenen hart hebben, indien men niet door de liefelijkheid van zulk eene onvergelijkelijke liefde Gods wordt vermurwd."

Een tweede antwoord geeft calvijn, dat God, door zulk een kostbaar offer te doen plaats hebben, ons de verschrikkelijkheid der zonde te levendiger wil doen

Sluiten