Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

makkelijk te vinden. De punten zouden dan ook met verschillende gewichtsgetallen moeten worden vermenigvuldigd. In de praktijk stuit dat, vnl. wat betreft de verkeerd aangegeven absurditeiten, op groote moeilijkheden. Het blijkt nl., dat vele kinderen geneigd zijn overal domheden te zien en het is praktisch onmogelijk al deze „absurditeiten" in cijfers juist te waardeeren.

Elders zullen de resultaten, die het onderzoek heeft opgeleverd, uitvoerig worden meegedeeld. Hier geven wij er een korte samenvatting van, die de betrekkelijke waarde van dezen test duidelijk in het licht stelt.

1. Het eigenlijk kritisch vermogen neemt van 12—16 jaar regelmatig toe. Bij jongens ondergaat het van 13—14, bij meisjes van 14—15 jaar een sterke stijging.

2. Meisjes van 12 en 13 jaar leggen meer neiging tot ongerechtvaardigde kritiek aan den dag dan jongens van denzelfden leeftijd. Op 14-jarigen leeftijd staan beide geslachten in dit opzicht gelijk. Met 15, maar vooral met 16 jaar, is de zucht om kritiek, en niet gefundeerde kritiek, te oefenen bij jongens belangrijk grooter dan bij meisjes.

3. De neiging tot het uitoefenen van niet gerechtvaardigde kritiek houdt gelijken tred met de ontwikkeling van het eigenlijke kritisch vermogen. Het laatste neemt bij jongens van 13—14 jaar, de eerste vnl. bij jongens van 15—16 jaar sterk toe.

4. Zelfs 16-jarige kinderen zien nog 40 % der absurditeiten over het hoofd. Dit feit maakt den test in zijn tegenwoordigen vorm

ten eenen male als test d'&ge voor de leeftijden in kwestie ongeschikt.

5. De strooiing is te groot dan dat de vrij regelmatige stijging in de percentages juist aangegeven absurditeiten met den leeftijd als typeerend mag gelden. Deze groote strooiing is niet in belangrijke mate aan het betrekkelijk gering aantal proefpersonen te wijten. Een verklaring moet veeleer gezocht worden in het feit, dat de absurditeiten, die in het verhaal voorkomen, wat den graad harer moeilijkheid betreft, al te zeer uiteenloopen.

6. De absurditeiten in het verhaal zijn of materieele onmogelijkheden, of redeneeringsfouten. Geen dezer beide categorieën is door haar aard meer geschikt om in tests als de onderhavige te worden gebezigd.

7. Sommige absurditeiten schijnen voor jongens, andere voor meisjes gemakkelijker te vinden te zijn ; zoo noteeren de eersten hooger voor 4 en 7, de laatsten voor 1. (Zie voor de nummers de „Handleiding" t.a.p.).

8. De eerste absurditeit is voor jongens en meisjes van 14 jaar, de tweede voor jongens en meisjes van 16 jaar geschikt. Absurditeit No. 4 kan bij het onderzoek van jongens van 14 en meisjes van 16 jaar worden gebruikt. No. 6 kan door jongens van 16 jaar worden gevonden.

9. De absurditeiten 3, 5 en 7 moeten uit het verhaal worden verwijderd ; r, 2, 4, 6 en 8 kunnen worden behouden. Aldus gewijzigd moet de test worden geijkt. Hij zal dan waarschijnlijk voor 15-, 16-jarige kinderen geschikt blijken te zijn. ■

SCHOOL, BEROEP EN KARAKTERVORMING

B. H. DE GROOT.

Zelfs wanneer de School alléén voor den beroepsarbeid voorbereiden wilde, dan nog moest zij meer gewicht leggen op de zorg voor het karakter. Want

het welslagen in hoogeren zin in een beroep, hangt veel meer dan men gewoonlijk denkt van zedelijke hoedanigheden af. Hoeveel menschen zijn er niet, die schipbreuk lijden

Sluiten