Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beterlijken, en hen die een bederf zijn voor anderen, zal men gestreng optreden, zoo noodig zelfs hen wegzenden. Alle belemmeringen zal men wegnemen, en niets zal men onbeproefd laten, wat voor de instandhouding en den bloei der inrichtingen dienstig blijkt.

Ter bevestiging en verklaring van het voorafgaande, volgen hier enkele gedachten uit den Katechismus van het Concilie van Trente, die werd samengesteld om aan de geloovigen de ware leer voor te houden, en hen tegen de valsche profeten te beveiligen, waarvan de Heer heeft gezegd (Jerem. XXIII 21) : „Ik zond de profeten niet, en zij, zij liepen ; Ik sprak niet tot hen, en zij, zij profeteerden)". (Zie Katech. Inleid. V). Het Vlle hoofdstuk van het He Deel is geheel gewijd aan het Priesterschap. Eerst wordt op het groote nut gewezen van onderrichtingen over dit verheven onderwerp: de priester die ze geeft, vindt er een opwekking om de genade, die hem gewerd bij de handoplegging, te doen herleven, en de mindere geestelijken vinden er een aansporing, om zich met nog grootere zorg tot de hoogere wijdingen voor te bereiden ; — de leeken leeren eruit, hoeveel eerbied de bedienaren der Kerk waardig zijn; en zoo, wat dikwijls gebeurt, zich onder het gehoor of ouders bevinden die hun kinderen tot den dienst der Kerk bestemmen, of anderen, die er aan denken zelf dien weg op te gaan : zij vooral kunnen zulke onderrichtingen niet missen. In een afzonderlijk nummer (III) verklaart de Katechismus ,,wie beschouwd worden als door God tot het priesterschap en de kerkelijke bedieningen geroepen." „Zooals Onze Zaligmaker door den Vader, en de apostelen en leerlingen door Christus den Heer in de gansche wereld gezonden werden : zoo worden dagelijks, met dezelfde macht als genen toegerust, de priesters gezonden „om de heiligen te voltooien, om de bediening

uit te oefenen, om het lichaam van Christus op te bouwen" (Eph. IV 12). De last van dit zoo verheven ambt dient dan ook niemand met vermetelheid opgelegd, maar hun alleen, die, om hun heilig leven, hun wetenschap, geloof en voorzichtigheid, in staat zijn hem te dragen. Niemand eigene zich die eer toe, maar „wie als Aaron door God geroepen wordt" (Hebr. V 4). En heeten door God geroepen, wie door de wettige bedienaren der Kerk geroepen worden ; want wie zoo aanmatigend zijn om zelf zich in deze bediening te begeven en in te dringen, op hen moet men leeren dat de Heer doelde, toen Hij sprak : „Ik zond de profeten niet, en zij, zij liepen." Niets is er, dat ongelukkiger en ellendiger, niets dat voor Gods Kerk verderfelijker wezen kan, dan dat slag van menschen."

Van de overige nummers hebben voor ons bizondere waarde IV, XXX, XXXI, XXXII, XXXIII. Nummer IV handelt over de goede meening. Het doel, dat men zich stelt, is bij elke handeling, doch vooral bij het ontvangen der wijdingen, van het grootste belang. Het doel mag niet in tegenspraak zijn met de zoo verheven taak. Jammer genoeg wordt daartegen veel gezondigd. Sommigen zoeken in het priesterschap een brood- of geldwinning ; anderen, voldoening van hun eerzucht. Het geloovige gevolg vindt haast niets zoo verachtelijk. Het lot van Judas staat hen te wachten. „Maar wie, door God wettig geroepen, de kerkelijke bedieningen enkel en alleen aanvaarden om er Gods eer mee te dienen, zij zijn het, van wie terecht wordt gezegd, dat zij door de deur de kerk intreden (Joan. X 1 vlgg.)." De Katechismus erkent een inwendig priesterschap, dat allen geloovigen toekomt, vooral die leven in Gods genade, en haalt de bekende schriftuurteksten aan : Openb. I 5, 6, I Petr. II 5, Rom. XII 1 vlg., Ps. L 19. Doch het eigenlijke priesterschap is het uit-

Sluiten