is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanleg en beroep; maandblad voor beroepskeuze, jrg 3, 1927, 01-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid. En als iemand zou vreezen, dat die rangen en standen een beletsel zijn voor de eenheid en een gevaar voor den vrede, dan voorkomt hem St. Thomas door er op te wijzen, dat voor eenheid en vrede borg zijn het geloof en de liefde, het onderling verband en de onderlinge hulp, en de alles bezielende heilige Geest. Hij voegt eraan toe dat rangen en standen, gelijk in de burgerlijke, zoo ook in de kerkelijke maatschappij, slechts dan den vrede storen, wanneer ieder het eigenbelang laat spreken ; maar dat zij op zich tot behoud van den vrede dienen, voor zoover er meer zijn, die zeggenschap bezitten en betrokken zijn in de algemeene aangelegenheden. (II II q. 183 a. 2). Nu meene men niet, dat voor St. Thomas tusschen rang en staat of stand het verschil of nul of onbeduidend is. Rangen zijn trappen in de maatschappij, die hun ontstaan danken aan welstand, aanzien en gezag, allemaal zaken die op zich zelf niet blijvend zijn, noch inherent aan den persoon, maar veranderlijk en bijkomstig van aard : zoo zij er graden en rangen in de kerkelijke hierarchie, bij den adel, bij het leger, bij de balie, bij het burgerlijk bestuur. Door het feit, dat iemand drossaard, baljuw of schout, mocht heeten, was hij wel in rang verheven, maar dat bracht geen verandering in zijn staat. Wie zijn plaats verloor in den senaat, verviel wel van zijn waardigheid, niet van zijn staat.

De staat, volgens St. Thomas, kleeft aan den persoon en slaat terug op zijn gebondenheid, of hij ja dan neen zijn eigen meester is. Zoo in het geestelijke als in het burgerlijke, duidt staat op vrijheid of slavernij. (II II 9. 183 a. 1). Men versta het wel: het feit van te dienen of van het staken met dienen is hier niet van beteekenis, maar de gehoudheid en de plicht; men kan vrij man zijn en toch dienen, men kan slaaf zijn en zich door de vlucht aan den dienst onttrekken.

Slaaf is hij die tot dienstbaarheid gehouden is, en vrij wie daarvan is ontslagen. Dienstbaarheid of slavernij, en anderzijds vrijheid ontstaan slechts door een plechtige, openbare akte. (II II q. 184 a. 4)

Zoo kwam St. Thomas er toe geen geestelijken staat te erkennen, tenzij een plechtige eeuwige verbintenis voorafging tot werken die tot de volmaaktheid behooren, of zoo men wil, die gaan buiten en boven de gewone christelijke plichten en met de volmaaktheid verband houdt. Ook hier weer is wat feitelijk geschiedt van geen beteekenis : men moet zich plechtig en voor eeuwig gebonden hebben. Men kan niet beloven en toch doen, wel beloven en niet doen, zooals we dat zien bij de twee zonen in het evangelie. ,,De vader ging naar den eersten en zeide : „Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard." Maar deze antwoordde : „Ik wil niet." Later evenwel kwam hij tot inkeer en ging. Hij kwam bij den anderen en zeide hetzelfde. Maar deze antwoordde : „Ik ga, heer," — en ging niet." (Matth. XXI 28 vlgg). En zoo is er niets tegen dat sommigen volmaakt zijn en zich toch niet in den staat van volmaaktheid bevinden, en dat anderen, ofschoon in den staat, toch ver van volmaakt zijn.

Hier dient nog gelet op een voornaam onderscheid. De geestelijke vrijheid of slavernij kan men op twee wijzen opvatten : naar het inwendige en naar het uitwendige. En wijl, zooals geschreven staat in het ie Boek der Koningen XVI 7, „de menschen zien wat van buiten is, maar God het binnenste ziet," — daarom wordt de staat naar de inwendige gesteltenissen opgevat in betrekking tot God en Gods oordeel, maar in betrekking tot de Kerk wordt de staat altijd opgevat naar wat uiterlijk geschiedt: alleen uitwendige staten passen bij een uiterlijk zichtbare maatschappij en kunnen er de schoonheid van verhoogen.