is toegevoegd aan uw favorieten.

Aanleg en beroep; maandblad voor beroepskeuze, jrg 3, 1927, 01-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

: in den staat van volmaaktheid verkeert: v wijl toch, volgens het Concilie van Trente, ieder priester gewijd wordt om te voorzien t in behoefte of nood der kerk ; wijl de pries! ter door den bisschop gedwongen kan wor£ den om de diensten te bewijzen, die de J omstandigheden vorderen : en bijgevolg de \ verplichting tot dienstbaarheid niet in die | mate ontbreekt, als misschien op het eerste * gezicht zou lijken.

] Drie eeuwen zijn er wederom sinds Suarez

< verloopen. St. Thomas stierf in 1274, Suarez c in 1617 : in 1917 verscheen het nieuwe Kerï kelijk Rechtboek. Canon 107 sluit het in>. leidend hoofdstuk van het deel dat handelt | over de personen, en luidt als volgt: „Door

< goddelijke instelling zijn in de Kerk geeste: lijken van de leeken onderscheiden, ofschoon i niet alle geestelijken van goddelijke instel; ling zijn; en beiden (n.1. geestelijken en | leeken) kunnen kloosterlingen zijn." Uit tal 1 van Canons blijkt dat hier drie staten worj den genoemd : men zie, om er slechts een J paar te noemen, Can. 121, 123, 141 § 2, I 487. Wat St. Thomas loochende, steunende | op het Kerkelijk Recht van zijn tijd, moeten

we nu aanvaarden om het nu heerschende

1 Recht: priesters, en zij niet alleen, alle geestelijken tot de getonsureerden toe, bevinden zich in een hun eigen staat, onderscheiden van de twee anderen.

Toch vinden we in het bekende boek van > Kardinaal Mercier, dat verscheen in 1918,

< een andere leer. Buiten den staat der leeken a en dien der kloosterlingen kent de geleerde J schrijver enkel nog den bisschoppelijken

staat. Zich richtend tot zijne priesters, zegt de Mechelsche kerkvoogd : „Canonisch geI sproken, zijt gij niet in den staat van volmaaktheid der kloosterlingen Evenmin

zijt gij in den staat van volmaaktheid van

den bisschop Uwe medewerking aan de

I herderlijke taak van uwen bisschop brengt u niet canonisch in een staat van volmaakt¬

heid." (Uitgave 1923 blz. 168—169 ; vgl. 189—196). Het zijn de opvattingen en uiteenzettingen van St. Thomas, die tot bewijs worden aangevoerd. Van deze niet geringe vergissing kan men verklaringen zoeken en verzachtende omstandigheden aanbrengen : het blijft verwonderlijk dat een vraag als een canonische wordt opgevat, en canonisch wordt opgelost zonder de canons te raadplegen en lijnrecht tegen de uitdrukkelijke canons in.

Om een enkele objectieve en een subjectieve verklaring te wagen van dit vreemd verschijnsel, zou men misschien het volgende kunnen aanvoeren. Een bizonder geliefkoosd idee brengt er den Kardinaal toe, de ondergeschikte zielzorgers, tot wie hij zich richt, in allernauwst verband met hun opperherder te beschouwen : hun ministerie gaat op in het zijne, waaraan ze slechts medewerken, en zoo verdwijnen de medehelpers in dengene op wien de taak allereerst en voornamelijk berust. Dat kan subjectief of psychologisch de misvatting bevorderd hebben. Objectief kan de illusie hebben meegewerkt, dat de in het Kerkelijk Rechtboek vermelde staten iets anders zouden zijn dan staten van volmaaktheid. Er zouden dan in de Kerk tweeërlei staten zijn, zoo iets als canonieke en spiritueele. Doch wie met eenige aandacht St. Thomas leest II II q. 184 a. 4, zal wel begrijpen, dat zulk een opvatting onhoudbaar is. Voor den Leeraar is er een verschil tusschen innerlijke en uiterlijke staten, wijl de eerste een verschil aangeven van den zieletoestand, zooals die open ligt voor Gods oog en de tweede een maatschappelijk verschil ; maar beide klassen zijn spiritueele staten en worden door hem zoo genoemd, en beide vooronderstellen een spiritueel accres, de eene een innerlijk, de andere een uiterlijk : en dat uiterlijk accres zit in een vermeerdering van lasten, die men op zich neemt boven de verplichtingen van het gewone christelijk