Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dampende rijst stond lang te wachten op de beide hongerige gastjes. Maar Josjhie en haar kleine gezellin schenen van louter geluk, nu ze bij Jezus waren, honger en moeheid te vergeten, en aan hun dankgebed voor het tabernakel kwam geen einde.

Doopen ? Nooit !

En zeggen dat die meisjes zoo godvruchtig neergeknield in mijn eenzaam missiekerkje, voor enkele maanden nog echte wildzangen waren, zorgenkinderen voor ouders en leeraars. Josjhie moest als de oudste, moeder een handje toesteken en letten op broertje en zusjes. Maar op straat speelde ze met ongemanierde kinderen soms tot 's avonds laat; 's anderen daags 's morgens kroop ze dan zoo lang onder haar deken weg, dat het te laat werd om naar school te gaan. Op een Zondag kreeg ze plots een inval, terwijl ze in de beek aan 't spelen was : eens naar dien vreemden leeraar te gaan luisteren. Wat Josjhie daar te hooren kreeg, was heelemaal anders dan die dwaze fabeltjes, die ze op school leerde.

De genade had niet vergeefs aangeklopt bij die robbedoes. Hoe vaker Josjhie op de missie verscheen, hoe zeldzamer was ze nog op straat te zien, hoe ijveriger hielp ze moeder in de keuken, hoe zorgvuldiger paste ze op de kinderen. Haar grootste genoegen was 's Zaterdags het missiekapelletje te mogen vagen en stoffen, het te sieren met frissche bloemen, en 's Zondags mooie liederen te zingen voor Jezus.

Grootmoeder, die een verstokte Boeddhiste was, had er al een woordje over gezegd aan vader, maar die had geantwoord : « Laat haar betijen. Zoolang ze daar haar plezier vindt, hoeven we ons om haar niet te bekommeren. Doopen laat ik haar toch nooit ! »

« Ik ben niet mooi... »

Maar juist die woorden wogen des te zwaarder op het hartje van Josjhie, dat ze meer hoorde vertellen van Jezus. Zekeren dag verhaalde de Pater hoe de Moeder Gods verscheen aan de Heilige

IHS ï

Sluiten