Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Draag me, » zoo antwoordde de arme vrouw, « draag me

naar de rivier en ik zal u het geheim ontsluieren. Kris me niet. want spoedig zal ik sterven en stervend zal ik u het geheim doe* weten. »

De Patih voldeed aan dezen wensch, hoe ook zijn eigen moede hem smeekte dit niet te doen. Hij droeg dan zijn vrouw naar de rivier, legde haar aan den oeverkant neder en smeekte haar het geheim van haar misdaad te ontsluieren.

Nauwelijks had hij dit gevraagd, of de arme vrouw gleed langs den oever in het modderige water en verdween, zooals eens haar kind in de diepte verdwenen was.

En dan... plotseling rezen uit het vieze, wangeurige water twee ranke en slanke bloemen omhoog, hoog op den stengel, als blanke witte leliën, en. in haar kelken een geur als de welriekendste balsem.

De grootste en slankste begon te spreken :

« Patih Sida-Raksa », en ze boog en neigde haar kelk naaiden kelk der andere bloem, « ziehier ons kind dat ik terugvond op den bodem dezer rivier, zelf zal het u zeggen wie de misdaad

bedreven heeft. »

En de kleine sprak :

« Het was uw eigen moeder, mijn grootmoeder, die mi, het leven benam. Toen ik enkele dagen de aarde aanschouwd had wierp ze mij in deze rivier om moeder en u te treffen in het hart... Maar o ! wat ben ik blijde, dat mijn lieve moeder b.| me kwam, wij zullen nimmer meer scheiden. »

Toen werd het stil over het water.

De groote bloem boog zich neer, heel diep, omstrengelde met haar stengel de kleine bloem — moeder en kind — en zoo zonken beiden terug in de diepte.

Nimmer keerden ze terug, maar uit de eertijds stinkende rivier stegen nu op de welriekende geuren van twee blanke lellen.

Sindsdien noemde men die plaats : banjoe-wangi, d. i. geurend water En zoo ook noemde men de stad, die er later ge ouw werd en zeer fraai gelegen is in het Oosten van Java.

Sluiten