Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het wachtende leven, wat vermoedde hij daar van, wat van hun liederen langs de baan, hun zangen bij 't Vlaamsche kampvuur, zelf-gedichte getuigenis van hun Katholiek, Vlaamsch' jong zijn !.. Vader Verullen verkocht zijn muziek, zijn gramofoonplaten, dag in dag uit, hij roffelde geregeld zich zelf en zijn trom in den zoeten roes van jong blijvende feestelijkheid, maar elke dag is er een : een mensch is oud voor hij het weet !

« Wat is me dat nu ! Ben je gek ? », zei hij dan ook. Dat zei hij op den middag toen zijn jongen waarachtig met de landsknechtstrom thuis kwam : zoo 'n ton van een ding !

« Waar hij die kuip nu voor meebracht ?

— Gekregen, 'n Cadeau voor onzen groep. », zei Flor laconisch.

« En daar ga jij toch niet ?...

— Op spelen ?.. |awel, ik ! »

Vader Verullen viel er stom van. Hoe is 't mogelijk I... Hij kwam die « ton-van-een-ding » 'ns kwikken, zijn kneukels roffelden even over 't gespannen vel. Dof en diep de klank, de trommelstokken een voorarm lang. Hemelsche deugd, als hij dan aan zijn lichte, losse « caisse claire » dacht met het vlugge getippel daarop van de slanke stokjes !...

« Je bent gek ! », zei hij slechts. « Daarop willen tamboeren, op zoo 'n kuip ! »

Flor lachte. « En toch waar zijn ! », zei hij.

« 'k Moet het nog zien ! », beweerde vader.

Maar gezien heeft hij het, gezien en gehoord op een morgen van die vacantie, toen hij zoowaar door die « ton-van-een-ding » naar buiten gelokt werd op den drempel van zijn deur.

Een groep jongens trok voorbij. Jongens, gepakt en gezakt, die op tocht gingen voor enkele dagen. Jongens met het stevige lied en den forschen stap, jongens verbonden niet door 't verlangen naar parade of vertoon maar door de begeestering van éénzelfden drang naar ruimte en verte, jongens in gelid met het lente-helle getippel van twee fluiten vooraan en de stoere rof-plof-plof van de lange trom.

Zoo jong, zoo meesleepend de stappende cadans van hun aan-

Sluiten