is toegevoegd aan je favorieten.

Dietbrand; maandschrift, jrg 5, 1938, no 3, 01-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Telkens als wij den Nederlandschen bodem betraden, hebben wij onze bewondering voor ons vaderland voelen groeien. Het Noorden bij ons trekt aan en boeit door den hoogen graad van beschaving, dien het te bereiken wist; een beschaving waaraan, voor zoover wij weten, méér dan in andere landen alle volkslagen deel hebben. Zonder het volmaakte te verwezenlijken, maar in ieder geval oneindig beter dan in welk « Latijnsch » land ook, werden hier de geweldige vraagstukken van de verdeeling van den rijkdom en de verhoudingen tusschen geld en arbeid tot 'n oplossing gebracht. Het fysische type zelf, dat door de aanwezigheid van al te talrijke Joden toch in zijn totale verschijning niet wordt aangetast, staat op een hoog niveau, — hooger zelfs dan in vele streken van Duitschland. In één woord : het Dietsche volk in het Noorden verovert den bezoeker door zijn houding, welke houding er, van de laagste tot de hoogste sport der maatschappelijke ladder, een «aristocratische natie » van maakt, die de faam van de oude steden aldaar, en van de kunst, waardig is.

In het Zuiden bekoort ons volk door zijn spontaneïteit, zijn liefde voor de natuur, zijn levenslust, zijn alles trotsende fysische en zedelijke gezondheid, zijn genie, dat in vele opzichten middeleeuwsch aandoet. Hier blijven vooral de westelijke streken een experimenteer-veld, waar gedachten kiemen, initiatieven geboren worden, en van waar, ter bezieling van het geheele Nederland, het onbedwingbaar dynamisme uitgaat, dat in vroegere tijden een Breydel, een Zannekin, een Datheen tot de daad dreef en later aan onze volksgemeenschap een Gezelle heeft geschonken, een Rodenbach, een Verschaeve... Het geheel, dat wij Dietschland noemen, ligt daar op de kaart van West-Europa als een levensgebied, waar de wiegen nog véle zijn ; als een der vaderlanden van het schoone, waar de kunst zich weet te vernieuwen zonder in decadentisme onder te gaan en de musea nooit of nimmer het karakter zullen krijgen van... doodenakkers.

Kort en goed — en wij zeggen dit in alle oprechtheid, zonder te overdrijven en zonder te snoeven — voor wie er uit het buitenl a,n d weer binnenkomt, is Nederland een der meest aantrekkelijke gebieden waar menschen wonen. Ons vaderland herbergt, in waarheid, alle talenten, alle goede hoedanigheden, alle deugden.

Al die gaven en krachten echter — het zij met dezelfde oprechtheid verklaard — lijken ons te niet gedaan, verpulverd als het ware, door een soort van psychologisch complex, dat onze volksgenooten, noodzakelijkerwijze, minderwaardig en weerloos maakt in den onverbiddelijken « struggle for life », dien de volken onderling aan 't leveren zijn. Wat betreft de « res publica », de openbare zaak, schijnen ons de Dietsche intel-