is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 2, 01-02-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor dat heerlijke gebouw, dat ruim genoeg gebleken was om Hindoes en Parsen, Litthauwers en Slaven , Grieken, Romeinen, Germanen en Kelten te omvatten ? Zeker noch van het hedendaagsche Engelsch, noch van het hedendaagsche Nederlandsch, maar van de oudste stadiën van elke taalgroep. Hoe ouder een taaldocument was, des te kostbaarder ook was het voor het eerste geslacht der geleerden van de vergelijkende taalkunde. Ben Nederlandsch woord als had was van weinig nut, maar het Gotische habaidêdeima werd gemakkelijk uiteengeplozen en elk zijner deelen kon opperbest met het Sanskrit, het Litthauwsch en het Grieksch vergeleken worden. De philoloog vertrouwde wat zijn materiaal betreft vooral op de oude en verouderde talen; zijne belangstelling richtte zich in het bijzonder op hare vollere vormen; wat wonder dan als zij naar zijn oordeel boven alle andere stonden P Wat wonder als hij bij de vergelijking van had en habaidêdeima het Engelsche of Nederlandsche woord ging beschouwen als een verminkt en uitgesleten overblijfsel van een prachtig origineel P of als hij bij het waarnemen van de wijzigingen van den ouden tot den nieuwen vorm krachtige taal gebruikte en sprak van ontaarding, bederf, afneming, phonetisch verval enz. of zelfs de fraaie vergelijking van Schleicher aanvaardde ? „Onze woorden zijn, vergeleken met Gotische woorden, gelijk aan een standbeeld dat langen tijd in de bedding van eene rivier voortgerold is, totdat zijne schoone leden zijn afgesleten, zoodat er nu bijna niets overblijft dan een gepolijste steenen cylinder met flauwe aanduidingen van wat het eens was ?" (Deutsche Spr. 34). Stel evenwel, zegt Jespersen, dat er in het geheel geen sprake was van Ket standbeeld ter algemeene bewondering op een voetstuk te plaatsen, hoe dan als het eensdeels niet mooi genoeg was als kunststuk en als het anderdeels in geen pletmolen dijnst kon doen , wat zou dan beter zijn — een oneffen en log standbeeld dat bij elke wenteling hokt of een eiïene, gladde, gemakkelijk gaande en wel geoliede rol ? Bij dat alles wordt heel eenvoudig het practisch belang van de sprekende gemeente over het hoofd gezien en dat maakt de hoofdzaak uit. Tot onze leiding nemen we eene reeds lang geleden en met sterken nadruk door Wilhelm von Humboldt geuite gedachte, nam. dat taal beteekent het gesproken woord en dat spreken is eene daad van een menschelijk wezen, dat zich aan een ander menschelijk wezen verstaanbaar wil maken. Duidelijk is het dan ook dat die taal den hoogsten rang inneemt, welke het 't verst gebraoht