is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 2, 01-02-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft in de kunst van met weinig middelen veel tot stand te brengen, of met andere woorden, welke in staat is het grootste quantum beteekenis met het eenvoudigste mechanisme uit te drukken.

De bewijzen voor deze stelling ontleent vervolgens Prof. Jespersen in zeven achtereenvolgende hoofdstukken aan het Engelsch en in het laatste of achtste zet hij zijne denkbeelden uiteen over den oorsprong der taal. Vermits deze afwijken van hetgeen algemeen dienaangaande wordt aangenomen, heb ik het niet ondienstig geacht de lezers van Noord en Zuid door eene vertaling daarmede in kennis te stellen.

Utrecht, 26 Juli 1895. P. H. van Moerkerken.]

I. Methode.

In zijne Dichtung und Wahrheit vertelt Goethe hoe hij te Straatsburg in gestadigen omgang was met Herder ten tijde dat deze voor de Berlijnsche Academio zijne prijsvraag schreef over den oorsprong der taal, en hoe hij het handschrift las, ofschoon hij, naar hij zelf erkent, in het onderwerp niet thuis was; „ik had", zegt hij, „over dergelijke zaken nooit veel nagedacht; het midden der dingen hield mij te zeer bezig om over hun begin of einde te kunnen denken."

Als het niet te aanmatigend is zich met Goethe te vergelijken, zelfs in zoo iets onbeduidends en bovendien iets negatiefs, dan moet ik bekennen dat ik even als Goethe de meeste studie heb gewijd aan de talen zooals ze heden ten dage zijn, a§m het „midden" der talen; de vroegere toestanden heb ik hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, bestudeerd, voor zoover zij op de nog levende talen licht kunnen werpen: ik heb dus slechts eene onvolledige en sporadische kennis van de uitgebreide literatuur die den oorsprong der taal tot onderwerp heeft, en de indruk, dien het lezen of doorloopen van een boek of een bijdrage over dat onderwerp bij mij achterliet, heeft mij niet aangemoedigd mij met die literatuur volkomen vertrouwd te maken. In deze omstandigheden was het volgend oordeel van Whitney mij tot grooten troost: „Geen onderwerp in de taalwetenschap is vaker en breedvoeriger behandeld dan dit en wel door geleerden van elke graad en richting; en, mag er bij gevoegd worden, geen enkel met minder goeden uitslag in verhouding tot den besteden arbeid; het meerendeel van hetgeen dienaangaande gezegd en geschreven is, heeft weinig om het lijf, is de mededeeling

7*