is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 2, 01-02-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar het ontleden in hoe langer hoe kleiner eenheden van wat in de vroegere stadiën als een onscheidbaar geheel werd genomen.

Terwijl een klanknabootsend of echo-woord als bow-wow en een tusschenwerpsel als pooh-pooh als teekens voor de overeenstemmende gedachte verstaan werden, zoodra ze gebruikt waren, was dit niet het geval met het gros van de taal. Menige zinbouw heeft indirect en door omwegen eene andere beteekenis dan hij oorspronkelijk had, of kreeg eene beteekenis waar hij er oorspronkelijk geen had, evenzoo ging het met de taal over het geheel. Oorspronkelijk een gerinkink van ijle klanken, geraakte ze er toe een instrument van het denken te zijn. Indien de mensch is , zooals Humboldt hem ergens gedefinieerd heeft „een zingend wezen, maar met de tonen gedachten verbindend", dan moeten we de vraag beantwoorden : Hoe kwam die verbinding van zin en klank tot stand ? Me dunkt dat we er toe kunnen komen eenig denkbeeld ons te vormen van de wijze waarop dat in zijn voegen ging door ons te herinneren wat boven gezegd is van de beteekenis der primitieve woorden. We moeten ons verbeelden dat die in den hoogsten graad concreet en speciaal is geweest. -Er zijn evenwel geen woorden welker beteekenis zoo concreet en speciaal is als eigennamen — niet zulke eigennamen als onze hedendaagsche Jansen of Smit, die zoo gewoon zijn geworden dat ze ternauwernood langer eigennamen zijn; maar eigennamen van de goede oude soort, door een enkel individu gedragen en slechts een enkel individu aanwijzend. Hoe gemakkelijk konden niet zulke namen in een' primitieven toestand, als boven beschreven is, opkomen! In de liederen van den een of ander placht er bijv. een gedurige herhaling te wezen van eene bijzondere reeks geluiden, gezongen met eene bijzondere cadans ; niemand kan twijfelen aan de mogelijkheid dat de een of ander zulk eene gewoonte zich eigen maakte in oudere zoowel als in nieuwere tijden. Onderstel dan, dat „Eens Meien morgens vroege" een minnaar zijn liefje placht aan te spreken met „Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa !" dan zouden zijne makkers en medeminnaars dit zeker opmerken en , als de gelegenheid zich voordeed, zouden zij met hem den draak steken door zijn „harba-lori-fa" na te bauwen en te herhalen. Maar zoo dat eens was erkend als wat Wagner zou noemen iemands „leitmotiv", dan zou al heel gauw het nadoen gevolgd worden door het gebruiken van het „harba-lori-fa als een soort van bijnaam voor den betrokken persoon; men kon hem bijv. gebruiken om zijn