is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 3, 01-03-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avonturen, verschijnselen van allerlei aard. Zoo werd ook de geschreven taal eerst door beelden uitgedrukt, die later meer en meer werden gepreciseerd. De woorden veranderden van beteekenis: eigennamen ontstonden uit kenmerkende eigenschappen, eigennamen werden soortnamen: een Benjamin, een keizer. Werkwoorden zouden ontstaan zijn uit uitingen, bij zekere gelegenheid gezongen.

R. A. K olie wijn, Woordorde en buigingsuitgang en. Vertaling van een hoofdstuk uit het door Logeman besproken boek van Jespersen, waarin deze aantoont, dat de vastheid der woordorde langzamerhand is ontstaan, sedert de buigingsuitgangen meer en meer afsleten.

J. G. Talen, Beknopte spraakleer van 't beschaafde Nederlands I. De vervoeging van het werkwoord.

VI, le afl. Schepers, Poots Akkerleven is een verwaterde vrije bewerking van Horatius Epode II naar Vondels vertaling (zooals bekend was). S Muller Fz., Over stijl. Overgenomen uit het Tweemaandelijksch Tijdschr., Jan. 1896. J. Koopmans, Uit den tijd onzer wedergeboorte: Hoof I's renaissance-klok III. Een studie over de Granida. M. F. Vragen en aanteekeningen bij 't Costelick Mal. J. H. van den Bosch, Jan, Jannetje en hun jongste kind I, waarin Potgieter en de Nederlanders van 1811 en vorige jaren worden beschreven. J. Koopmans, P. C. Hooft als schrijver der Ned. Hist., door J. C. Breen, proefschrift van de Vrije Universiteit. Van der Wijck, Lehrbuch der allgemeine Psychologie von Dr. Joh. Eehmhe. J. H. Kern, Abriss der urgermanischen Lautlehre, enz. von Adolf Noreen. — Van Vloten—Bergsma's pantheonuitgave van den Warenar, naar aanleiding van een verkeerde voorstelling in den Spectator.

De Studeerende Onderwijzer , Febr. en Maart.

In het laatste gedeelte van zijn artikel over Tollens vergelijkt M. Mieras de beschouwingen, die Beets en Huet over de „Overwintering" hebben geleverd , met elkaar. Als altijd is de critiek van Beets in hoofdzaak waardeerend, terwijl Huet vooral op de gebreken de aandacht vestigt. Beiden brengen hulde aan de aanschouwelijke voorstelling, die den dichter inderdaad het recht geeft zijn poëem een „tafereel" te noemen; maar terwijl Beets het bovendien een stuk „vol onvervalscht gevoel" en „kloek van opvatting" heet, toont Huet aan, dat er juist in deze opzichten nog al wat aan hapert. Tollens is er blijkbaar meer op uit geweest, bij zijn lezers medelijden met,