is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 4, 01-04-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikwerf moet dus niet beschouwd worden als samengesteld uit dik en werf, maar als onmiddellijk afgeleid van de substantieve uitdrukking dik werf in den 4en naamval.

In al deze door middel van naamvalsvormen afgeleide bijwoorden valt de hoofdtoon op het eerste lid van het woord: altijd, altoos (— altoogs van tijgen, toog), dikwerf, dikwijls, barrevoets, stormenderhand, cenigszins, eensklaps, héelshuids, ruimschoots, rechtstreeks. Uit het vroeger behandelde (bl. 487, vorige jaarg.) weten wij, dat het substantief en niet het attribuut de hoofdtoon toekomt; wij hebben hier dus eene verplaatsing van den hoofdtoon naar voren (progressie) , zooals wij ook bij sommige afgeleide werkwoorden hebben opgemerkt (reikhalzen). Deze progressie heeft dezelfde oorzaken als de toon verplaatsing in sommige samengestelde bijwoorden, die wij boven bespraken. Bij woorden als rechtstreeks, ruimschoots wordt niet meer aan een streek (waarschijnlijk van een schaatsenrijder) of aan een schoot (touw) gedacht; evenmin denkt men bij stormenderhand, eensklaps, eenigszins aan hand, klap of zin. Rechtstreeks, ruimschoots , stormenderhand , eensklaps beteekenen daardoor recht, ruim, stormend, in eens. De progressie in eenigszins, geenszins, eensklaps, veelszins is door den rhetorischen toon bewerkt.

De nu besproken vormen als goedsmoeds enz. herinneren aan een vroeger ontwikkelingstijdperk van de taal. Wat men toen uitdrukte door een naamvalsvorm, duidde men later aan door een voorzetsel. Als voorbeeld geven wij allerwegen en overal, die nagenoeg hetzelfde beteekenen, maar verschillende tijdperken vertegenwoordigen. De voorzetselbepalingen als overeind, onderweg, uitermate enz. moeten dus niet als samengesteld beschouwd worden, maar als onmiddellijk afgeleid van de bijwoordelijke bepalingen over het einde, onder den weg, uit der mate. Dat er hier geen sprake kan zijn van samenstelling , blijkt ook o.a. daaruit, dat deze uitdrukkingen niet bestaan uit een bepalend en een bepaald woord of uit twee gelijkwaardige zinsdeelen, maar uit een regeerend en een geregeerd gedeelte. Een ander bewijs daarvoor is, dat de voorzetselbepaling dikwijls uit drie leden bestaat: inderhaast, inderdaad , indiervoege , terwijl samenstelling nooit meer dan twee leden tegelijk toelaat (timmermanswerkplaats — timmerman -|- werkplaats). Als derde bewijs voeren wij nog aan, dat de voorzetselbepaling, voor zoover die strekt tot vorming van adjectieven (ondergrondsch, buitensporig, tegennatuurlijk)