is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 5, 01-05-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw."

Is de voorzin van dezen zin een vergelijkende zin P Wat wordt vergeleken ? Ik weet het niet. Eene vergelijking moet toch eene nadere aanduiding of verklaring geven, en wat wordt nu door Gelijk bij alle.... menschen bepaald, begrensd, toch niet de gedachte van den nazin? Reeds het bijwoord ook wijst aan, dat men hier, wat de gedachte betreft, nevenschikking heeft. Gelijk bij alle menschen bevat eene gedachte , die de spreker als terloops aan den hoorder herinnert; als bepaling is Gelijk bij alle menschen eene bep. van omstandigheid, als zin een zin van omstandigheid. B. 1'.

Opmerking verdienen nog de zinnen met alsof. De verbinding van het vergelijkende a 1 s met het voorwaardelijke o f duidt aan , dat we in deze zinnen ellips hebben van een vergel ij kenden zin , en dat de zin na o f een voorwaardelijke is. Dit verklaart ook de woordschikking na als, zoo o f weggelaten wordt: Alsof zij begreep thans te hebben uitgediend, Als begreep zij thans te hebben uitgediend: zonder o f verkrijgt de zin de woordorde van den hoofdzin, evenals elke voorwaardelijke zin , wanneer 't voegwoord verzwegen wordt.

Waartoe moet de zin als het ware gebracht worden?

Als het ware wordt ingeleid door het vergelijkende voegwoord a 1 s en schijnt alzoo een vergelijkende zin te zijn; let men er echter op , dat als het ware gebruikt wordt — ten minste wanneer het gebruik te verdedigen is en niet als stopwoord dienst doet — wanneer de spreker, hetgeen hij zegt niet als eene uitgemaakte zaak wil voorstellen, dan blijkt het, dat als het ware een modaliteitszin is.

Zoo heer , zoo knecht. „Zoo is gelijk z o o a 1 s , de voorzin is een vergelijkende zin; deze samengestelde zin zegt, dat er gelijkheid, overeenkomst, is tusschen den heer en zijn knecht." Dit is de gewone redeneering. — En toch, wie een weinig nauwkeurig dezen zin beziet, gevoelt, dat door de uitdrukking: zoo heer, zoo knecht niet slechts uitgedrukt wordt, dat heer en knecht over één kam te scheren zijn, maar ook, dat tusschen beide zinnen een oorzakelijk verband is: wat de knecht is, heeft hij te wijten — nimmer te danken — aan zijn heer. In deze uitdrukking leeft nog min of meer de oorspronkelijke kracht van zoo, als instrumentalis.