is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 5, 01-05-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vandaar ook, dat men niet kan zeggen: Zoo knecht, zoo heer , Zoo jong, zoo oud: niet de meerdere vormt zich naar den mindere) niet de vader naar het kind , maar omgekeerd, de mindere naar den meerdere, het kind naar den vader.

11. V e r h o u d i n g s z i n n e n.

De zinnen door hoe — hoe ingeleid hebben dit eigenaardige, dat zij dezelfde woordorde hebben; de nazin, de hoofdzin, heeft de woordschikking van den afhankelij ken zin. Het taalgevoel heeft onbewust aan den afhankelijken en den hoofdzin een gelijken vorm gegeven, om de gelijkheid van den inhoud te doen uitkomen; zij 't dan ook eene gelijkheid als bij tegenoverstand. In deze zinnen is dus de voorname factor van het komische aanwezig, en vandaar dat deze uitdrukkingen juist niet bij voorkeur tot den kanselstijl behooren : Hoe oucler, hoe maller; Hoe langer,hoe liever; Hoe grooter geest, hoe grooter beest. Een geheel anderen indruk maken deze zinnen, zoo men er in plaats van hoe — hoe, hoe — deste leest, de nazin treedt dan meer als hoofdzin op den voorgrond, de gelijkheid is weg, de tegenstelling wordt niet zoo goed meer uitgedrukt, en de verhoudingszin is eigenlijk bijzin van oorzaak geworden : het mal z ij n wordt als een gevolg van het oud z ij n voorgesteld.

Mijne kantteekeningen bij: De volzin en zijne deelen besluit ik met aanteekeningen bij die voegwoorden en bijwoorden van het zinsverband , welkd door T e r w e y of niet, of m. i. niet voldoende verklaard zijn.

E n. Mnl. en, enne, e n d e, van 't oude a n e (aan), waaruit de beteekenis koppelend, hechtend, verbindend.

Noch. Deels bijwoord van ontkenning, deels voegwoord. Samenstelling van de ontkenning n e en het Goth. joh, 't welk, volgens Prof. B r i 11 en Prof. Verdam, de beteekenis had van ons e n.

Slechts, 't Bijvoeglijk naamwoord slecht, met bijwoordelijk s — slecht, eerste beteekenis : vlak, effen, — slechten = effenen, vlak maken — waaruit zich de beteekenis van eenvoudig, onbeduidend ontwikkelde:

„Sy sien niet, dat hermacken

Veel min als maecken is, en dat van yet tot yet

Een slecht mirakel is bij 't eerste yet uit niet."