is toegevoegd aan je favorieten.

Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, ..., jrg 19, 1896, no 6, 01-06-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hield aan zijn vrijzinnige inzichten, dat de Vlaming , die van huis uit revolutionnair en democraat is, zich in hem niet verloochende, blijkt onder anderen uit de denkbeelden in zijn gedicht „De Oorlog" ontwikkeld. De arbeiders laat hij zeggen:

En nu, nu sleurt men ons , als vee,

Ten broedermoord , ter slachtbank mee!

Vloek! vloek! vloek over 'thoofd Van wie den heiligen arbeid

Hoorden en armen ontrooit:

drukt zich de Mephistophelis, de spotgeest uit,

Heisa ! jubelt, Geesten der hel!

't Gaat in gang het bloedig spel!

Ziet ze wriemlen, ziet ze draven,

Domme hoop van blinde slaven.

Moord- en slachttuig in de hand Van een dronken dwingeland.

Wie hun woede gaat verscheuren Werd nog straks als broer begroet;

Maar thans draagt hij om zijn hoed Eene veêr van andre kleuren, —

En dat vordert wraak en bloed

Het schijnt onbetwistbaar, dat ook in het vrijzinnigste gemoed nu en dan opwellingen komen van vroegere, lang begraven, engere inzichten. De oude zuurdeesem, waarmede het jeugdig hoofd en hart is doortrokken , werkt lang na met de plotselinge opschitteringen van een uitgaande vlam.

Dat Van Beers op dit algemeen verschijnsel geen uitzondering maakt, blijkt op verschillende plaatsen en de noodzakelijkheid , de natuurlijkheid er van wordt door hem erkend. In zijn Begga, het epos der gekwelde onschuld, zegt hij dienaangaande zich tot het kerkgebouw richtend:

.... want hoe in die ziele

Ook, onder de waatren des twijfels,

't Zoet, eenvoudig geloove

des kinds wegbrokkelende inviel,

Hoe op zijn lippen de vlam

des gebeds ook smoorde in ontkenning;

Toch, toch ademt hij telkens

opnieuw, in den geur uwer wanden,

Al de geheimenis in,

waar zijn kindsheid zoo zalig bij droomde.

en scherper nog als hij schettert: