is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 4, 25-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij kunnen daarom ons oordeel over dit boek aldus samenvatten: een uitstekend leerboek, op voortreffelijke wijze vertaald, en prachtig uitgegeven, — maar een boek, dat als leerboek nog veel winnen zou, wanneer het meer voor Nederland werd bewerkt, althans wanneer verwijzing naar de Nederlandsche litteratuur over de verschillende onderwerpen erin werd opgenomen.

Mr. A.

UIT TIJDSCHRIFTEN.

MIDDENS TA NDSPOLIT1EK.

EEN HOPELOOZE SOCIALE POLITIEKP — I.

De 6e aflevering van de Hist. Pol. Bldtter, deel 150, brengt onder bovenstaanden titel een ongeteekend artikel, dat ons om veel van hetgeen daarin wordt gezegd over den toestand van den middenstand, bekneld tusschen kapitalistische en socialistische strevingen, belangrijk genoeg voorkomt om er hier de aandacht op te vestigen, terwijl wij ook grootendeels instemmen met de middelen, die de schrijver aangeeft om dien toestand te verbeteren. Doch al gaan wij volkomen mee met de organische staatsopvatting, volgt daaruit echter niet, dat wij in alles instemmen met den schrijver. »

Een zekere eenzijdigheid en opgewonden toon is in het artikel niet te miskennen.

♦ Onze hedendaagsche maatschappij", zegt hij o. a., »voor zoover zij belang stelt in sociale en economische vraagstukken, kent in t algemeen slechts twee groote economische systemen: het kapitalistische en het socialistische. En tevens beschouwt zij die beide systemen, als de groote, om de overwinning worstelende tegenstellingen en machten.

Deze opvatting is in meer dan een opzicht verkeerd en in 't algemeen onjuist.

Tot dusver bestaat er, noch in de theorie, noch in de praktijk, een kapitalistisch economisch systeem, respect, een kapitalistische economische orde, en er bestaat slechts een socialistisch, afgerond economisch systeem in de Marxistische theorie en utopie, en niet en nooit in de werkelijkheid.

Bovendien is het socialisme niet de directe tegenstelling tot het kapitalisme, al mag het zich meestal ook als zoodanig voelen en aanduiden.

De socialistische economische leer is, evenals de haar, naar beweerd wordt, tegenovergestelde kapitalistische, gegroeid uit de kapitalistisch-industrieele verhoudingen in Engeland, uit de, geen tusschen- of verbindingslid kennende tegenstelling tusschen kapitaal en arbeid, van plutocratie en proletariaat, van rijk en arm. En zoo was het practische, en het theoretische punt van uitgang, zoowel van de klassieke, respect, kapitalistische en liberale, als van de socialistische economische leer, de economie van een Adam Smith zoowel als die van een Karl Marx, dezelfde; een in atomen opgeloste maatschappij, de ontkenning van elk maatschappelijk volksorganisme, de aanneming van het economische individualisme, alleen met dit verschil, dat de liberale-kapitalistische economische leer het afzonderlijk, geïsoleerd gedachte individu tot uitgangspunt nam, terwijl de socialistische leer uitging van de ordelooze, gelijksoortige massa der individuen.

Zoo vormen kapitalisme en socialisme geen elementaire tegen-

waar minder nauwkeurig door anderen ten onzent steeds wordt gesproken van familie. Familie, waar bedoeld wordt huisgezin, is een Gallicisme, bij ons Katholieken echter begrijpelijk, omdat we van jongsaan gewend zijn te spreken van de H. Familie, waar eigenlijk, taalkundig juister, gesproken moest worden van het H. Huisgezin. Zoo

spreekt de Vertaler niet van familie-loon, maar — juister van

gezinsloon. Ter narolging!

stellingen in de moderne economie, maar slechts twee verschillend ontwikkelde boomen, die echter in denzelfden bodem wortelen en daaruit hun voedsel trekken.

De tegenstelling tot het, alle organische vormen ontkennende kapitalisme, is niet het socialisme of het communisme met zijn verwerping van alle maatschappelijke organisatie, maar de maat schappij-organisatie door den middenstand.

Een duidelijk bewijs voor deze bewering levert reeds onze tegenwoordige kapitalistisch-economische litteratuur, die aan den eenen kant met bijzondere hartstocht, aan den anderen kant met smaad alle bewegingen tot herstel van een zelfstandigen middenstand vervolgt, terwijl zij het socialisme met heel wat meer voorzichtigheid behandelt, en niet zelden waardeerende woorden heeft voor vele zijner plannen en strijd.

Voor den middenstand strijden staat gelijk met voor een verloren zaak strijden.

De tijd van de, principieel tegenover socialisme en kapitalisme staande, geordende maatschappij, de tijd van den in zijn beroepsgroepen autonoom en naar standen geordenden en verdeelden middenstand, geldt in de openbare meening voor afgeloopen.

Desondanks blijft het bij voortduring de taak van die economie, die niet streeft naar successen van een dag en niet afziet van een sociale ethiek, om te wijzen op de noodzakelijkheid van een breed-gegrondvesten middenstand en zich te stellen in den dienst van de middenstandspolitiek, op een of ander gebied.

Wij onderscheiden een drievoudige dergelijke politiek : Eerstens, een zuiver economische middenstandspolitiek als verdeeling en regeling van bezit en inkomen, alsmede van de verhouding van kapitaal en arbeid; ten tweede, een sociale middenstandspolitiek als korporatieve ordening naar beroepsstanden op grond van een organische opvatting der maatschappij; met beide dekt zich grootendeels. ten derde, de practisch-religieuse middenstandspolitiek, wier taak en doel het is, zooveel mogelijk overgrooten rijkdom en drukkende armoede te vermijden, die beide er toe leiden den gemiddelden mensch af te trekken van God.

I.

Het meest hopeloos schijnt tegenwoordig de verwezenlijking der eerste, der economische taak der ware middenstandspolitiek.

Voor een halve eeuw zou wellicht deze taak te vervullen zijn geweest, zij het ook met overwinning van torenhooge hindernissen, thans is een algemeene uitvoering eener middenstands maatschappij hervorming een onmogelijkheid geworden.

Tegenwoordig kan men slechts denken aan bewarings- en verzachtingsmiddelen voor de bestaande restanten van den ouden middenstand, niet over een algemeene herstelling en nieuwe levenskracht van den gecombineerden stand.

Werner Sombart, de geestrijke, maar materialistische vertegenwoordiger der moderne economie, rekent de in standhouding der middenstandsgroepen tot de onmogelijke dingen en spreekt van een »spelen" met het woord «middenstand" ').

Een indirect bewijs van de onmogelijkheid om thans een ingrijpende middenstandshervorming te krijgen, schijnt ook te willen leveren de »Intern. Bond tot bestudeering der verhoudingen van den middenstand", die nog geen enkel, voor deze hervorming bruikbaar resultaat heeft kunnen leveren.

Deze directe onmogelijkheid om te kunnen werken aan groote resultaten belovende middenstandshervorming, ontslaat ons intusschen niet van de verplichting, voortdurend wetenschappelijk en litterair de onmisbaarheid van den middenstand aan te toonen, en de middenstandspolitiek te dienen met het gesproken en het geschreven woord.

1) Zie Deutsche Volkswirtschaft in /g Jah.rhun.dert, 2e Aufl. Berlin 1909, pag. 501.