is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 4, 25-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merking komen, zou met het oog op het gevaar voor het algemeen welzijn ongeoorloofd zijn.

Deze arbeiders nu volkomen het vereenigings- en stakingsrecht ontnemen, zou echter te ver gaan; maar uit den aard van het beroep wordt het beperkt.

Als vergoeding daarvoor kunnen hun in sommige bedrijven een gelijkstelling met beambten worden toegekend, algemeen betere arbeidersbescherming en een goed werkend arbitragesysteem.

De houding van het Beiersche Centrum tegenover de staking van het spoorwegpersoneel uitte zich in de volgende resolutie, gericht aan de Kamer van Afgevaardigden (22 April 1910):

»Overwegende, dat de staatsregeering en de Landdag voor de verbetering van den toestand der bij verkeersinstellingen betrokken arbeiders, hun zorgen zoover uitstrekken, als hun slechts in verband met den financieelen toestand mogelijk is, verder overwegende, dat een staking in de bedrijven der verkeersinstellingen onvermijdelijk een ernstig gevaar meebrengt voor het algemeen welzijn, wordt goedkeuring voorgesteld van de volgende resolutie:

1. Zij acht het eischen van het stakingsrecht in bedrijven van verkeersinstellingen niet geoorloofd.

2. Zij richt tot de koninklijke staatsregeering het verzoek, met alle beslistheid op te treden tegen strevingen, die kunnen leiden tot het uitbreken van een staking in de bedrijven der verkeersinstellingen.

Nergens blijkt uit, dat het Beiersche Centrum zich met deze houding verwijdert van de theorieën over de staking, in de Staatslexicon.

Daarom schrijft de Köln. Volkszeitung van 16 Jan. 11. no. 45 :

Vooreerst herinneren wij er aan, dat het Beiersche Centrum steeds met alle kracht is opgetreden voor de volledige (ook het stakingsrecht omvattende) vereenigingsvrijheid van alle arbeiders zonder uitzondering.

Bijv. de afgevaardigden Dr. von Orterer (1898), Oswald (1908), graaf Pestalozza (1908).

De beide laatstgenoemde afgevaardigden hebben het verenigingsrecht steeds als een uitvloeisel van het natuurrecht beschouwd, precies als het, op natuurrechtelijken grondslag steunende artikel van Koch doet.

Dat het Centrum ten slotte besloot tot opheffing van het stakingsrecht voor het spoorwegpersoneel (niet van het verenigingsrecht), was veroorzaakt door het misbruik door de socialisten gemaakt van de vereenigingsvrijheid; en het terrorisme door de socialistische arbeiders uitgeoefend op andersdenkende arbeiders in de spoorwegwerkplaatsen.

Ook in de aangehaalde theorieën van Koch is een uitzondering ten opzichte van het stakingsrecht voor het spoorwegpersoneel uitgesproken.

De spoorwegbeambten zijn hier gevoegd bij de talrijke groepen van arbeiders, wier beroepsarbeid voor het algemeen welzijn van diep-ingrijpende beteekenis is, en die, door staking, voor 't algemeen welzijn nadeeiige gevolgen zouden doen ontstaan.

Voor allen geldt, dat het stakingsrecht »uit de natuur van het beroep beperkt wordt".

De mate van beperking is niet dezelfde voor al die groepen.

Zij hangt af van hun beteekenis voor het algemeen welzijn, die bij het verkeerswezen, mijnwerkers, landarbeiders, bakkers, zeer verschillend is.

Dezen of ook slechts allen staatsarbeiders het stakingsrecht ontzeggen, zou daarom te ver gaan.

De ononderbroken arbeid van een beroepsgroep kan echter zoo innig verbonden zijn met de nationale belangen en met het behoud en de ontwikkeling van handel en industrie, dat in de praktijk geen geval denkbaar is, dat staking nog zou gerechtvaardigd zijn.

Hier moet de beperking van het stakingsrecht zeer ver gaan, zij moet gaan tot aan de opheffing van het stakingsrecht toe.

Het tegenwoordige spoorwegbedrijf is nu, in zijn aaneengeslotenheid, zijn verbreiding over het geheele land, zijn fijne vertakking, voor bijna alle openbare en particuliere economische belangen in het land een levensvoorwaarde geworden, en een, zij het ook korte, onderbreking van het reusachtige bedrijf zou ernstige gevolgen kunnen hebben en zelfs noodtoestanden kunnen veroorzaken, zooals de spoorwegstakingen in Hongarije, Italië, Engeland en elders duidelijk getoond hebben.

Dezen stand van zaken helder inziende, zullen verstandige arbeiders daarom afzien van een staking.

Feitelijk heeft dan ook reeds in 1905 de bij den algemeenen christelijken bond aangesloten Beiersche bond van spoorwegpersoneel »wegens de ver strekkende economische gevolgen van een spoorwegstaking en zijn gevaren voor de nationale veiligheid" afstand gedaan van het stakingsrecht.

Niets anders wil het Centrum, wanneer het in zijn resolutie het verlangen uit, dat het spoorwegpersoneel geen gebruik zal maken van het stakingsrecht.

Op hetzelfde standpunt stelt zich het verkeersministerie in Beieren (zooals ook in andere landen) en verlangt dienovereenkomstig van de beambten en arbeiders de erkenning, dat zij afstand doen van staking bij de verkeersinstellingen en niet zullen behooren tot organisaties, die staking als geoorloofd beschouwen.

De staatsregeering, evenals het Centrum, verlangt alleen, wat verstandige arbeiders reeds in hun eigen belang doen: dat zij namelijk onder de tegenwoordige omstandigheden met het oog op het algemeen welzijn afstand doen van het toepassen van een recht, dat hun overigens toekomt, in verband met het natuurrecht en de huidige vrije arbeidsovereenkomst.

Daarbij is in aanmerking te nemen, dat — theoretisch tenminste — de geëischte afstand van het uitoefenen van een recht volstrekt niet hetzelfde is, als de eenvoudige opheffing van een recht.

Na deze uiteenzetting wijst de Köln. V. er op, in hoofdzaak in verband met Beiersche toestanden, dat geen verschil bestaat tusschen de theorieën van de Staatslexicon en de houding van het Centrum.

L. R.

KORTE BERICHTEN.

Loonregeling voor Amsterdamsche Gemeentewerklieden. Naar aanleiding van verschillende adressen, waarin op loonsverhooging voor de Amsterdamsche gemeentewerklieden werd aangedrongen, hebben B. en W. der hoofdstad een voordracht bij den Gemeenteraad ingediend.

Het toekennen aan alle thans in dienst zijnde werklieden van een individueele loonsverhooging van ƒ 1.80 (als verzocht was) achten B. en W. geen rationeele oplossing. Zij hebben gestreefd naar een verbetering van het loonstelsel zelf en stellen voor: een verhooging van de loongrenzen met ƒ 0.54. Minima en maxima worden dus gelijkelijk verhoogd. Voorts wordt voorgesteld een versnelling van het tempo, waarin de gewone loonsverhoogingen volgens de bestaande regelen plaats vonden, zoodat de werklieden eerder het maximum hunner categorie zullen bereiken. In plaats van om de 3 of 4 jaar zullen de periodieke verhoogingen voortaan om de 2 jaar geschieden. De vaste werklieden zullen dan in een tijdsbestek van 8 jaren in plaats van in 12 jaren hun maximum-loon kunnen bereiken, een voordeel dat B. en W. voor hen van veel meer gewicht achten, dan een onmiddellijke loonsverhooging voor allen.

De in art. 22 van het Werkliedenreglement opgenomen cijfers van f 11.88 en f 12.42 worden dus met f 0.54 verhoogd. De