is toegevoegd aan je favorieten.

Katholiek sociaal weekblad, jrg 12, 1913, no 7, 15-02-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FEUILLETON.

ADEL IN BOERENBLOED.

NAAR GEORG HEIMRICH DA UB,

DOOR J. A. LINSSEN. — 16.

Een grondtrek in het karakter van den jongen graaf was zijn teedere liefde tot zijne zuster. Deze was van zijne jeugd af zijn vertrouwelinge geweest. Hilda wist, wat hij zelfs voor zijne moeder verzweeg. Ook leed deze liefde niet door de veranderingen, welke in het uiterlijk wezen van den jongen man hadden plaats gehad, sinds hij de militaire kleeding droeg en de manieren van den in de grootstad levenden adel had aangenomen. Zijn zuster was voor hem een trouwe, altijd hulpvaardige raadgeefster. Hij wist, dat zij 't steeds goed met hem meende; hij had zich ook meestal naar hare inzichten gevoegd. En al had hij haar onlangs ook hare voorliefde voor Theo Starke euvel geduid, zoo ging die gedachte toch weer terstond in rook op, toen hij thans weer haren raad noodig had. Werkelijk roerend was het, te zien, met welk een spanning hij haar aanblikte, toen hij de vraag had uitgestooten: »Zus, wat zeg jij?"

»Dat je een booswicht zijt, Harald, wijl jij mij tot nog toe van je neiging niets verteld hebt."

> Praat daar niet over, Hilda — thans weet je het toch — wat nu ?"

»Vóór alles kalmte, broeder."

»Lieve hemel — daarbij zou men nog kalm blijven, als een >vriend" je geliefde ontrooft?! Een mooie vriend, 'n mooie vriend!"

>Je bent opgewonden, Harald — en in elk geval onrechtvaardig. Wist dan Willem —"

»Noem me dien naam niet, Hilda. Neen, hij wist niets! Maar hoe kan de barones aan hem de voorkeur geven boven mij?"

»Ja, lieve jongen, daarin spreekt toch het hart een woordje mede. Wist zij dan —"

5Ja, zeker! Zij ontweek me echter, wat ik voor verlegenheid hield. En nu is de ander gelukkig, en ik moet me troosten. Jawel, 'n mooie troost, 'n mooie vriend! Ik zou hem kunnen wurgen. Ik zou de wereld in stukken kunnen slaan. Zus, laat me los !*'

Hilda echter liet hem niet los. Zij legde hare hand op zijn schouder en hem op haar kalme manier recht in de oogen kijkend, zeide zij :

»Broeder — Erna was niet voor jou bestemd! Gij beiden zoudt ook niet hebben kunnen harmonieeren. Ik geloof volstrekt niet, dat het de ware liefde was, welke jou tot haar aantrok."

En toen hij in stom protest zich van hare hand wilde bevrijden, blikte zij hem nog strakker aan en voer voort:

»Ik meende, dat ge Clara v. Raesfeld liefhadt."

Nu sprong echter de jonge man op, als door een giftige slang gebeten. Hij schudde de hand zijner zuster heftig af en zeide :

»Dus jij gelooft niet eens, dat ik Erna v. Diekamp beminde ?"

1 Op uwe manier, Harald. Maar de rechte liefde ken jij zeker nog niet ?"

»Ken jij ze dan ?"

Zij antwoordde hem niet, maar zag slechts ernstig en tegelijk met een zacht glimlachje in zijn van toorn gloeiend gelaat. Zijn mannelijke schoonheid viel haar dit oogenblik bijzonder op; later, veel later, stelde zij zich hem altijd voor, zooals hij nu voor haar stond, met vonkelende oogen, en fiere, rijzige gestalte.

Wat zij haar broeder nog tot troost gezegd heeft, is uit haar herinnering verdwenen, als zij een half uur later met de armen over elkaar in een der groote leuningstoelen zit, welke aan het venster staan. Zij weet alleen dat Harald toornig en fluitend heengegaan is. Zij weet het, dat hij maar al te gemakkelijk over

Erna tot de orde van den dag overgaan en zijn hart aan eene andere schenken zal. En dat zou zich, zooals zij haar broeder kende, meermalen herhalen, tot hem de ware liefde in hare macht kreeg — de liefde !

De liefde ! — »Ken jij ze dan ?" had haar broer haar met sarcasme toegeworpen. Zij peinst over deze vraag, en zoo moeilijk wordt haar het antwoord, dat hare slapen als in een koorts kloppen en een werkelijk physieke smart haar inwendig pijnigt. — »Ken jij ze dan ?" klinkt het haar telkens weer in de ooren. Eindelijk staat zij op van den stoel, treedt aan hare schrijftafel en haalt uit de schuiflade nogmaals het schilderijtje te voorschijn, waaraan zij een paar uren geleden gewerkt heeft. Of dat schilderij haar zal afleiden ? Of zou het haar behulpzaam zijn in het vinden van het antwoord op de vraag : ken jij de liefde, Hilda ? —

De kleine Maria echter was verbaasd, toen zij weinige minuten later tot hare meesteres geroepen en door deze rijk begiftigd werd.

„Laat je uit deze fluweelenstof een japon maken, en dit parelsnoer moet ge dragen, als ge later eens niet meer mijn kamenier zijt."

„Ik zal mijn genadige meesteres ongetwijfeld nooit verlaten," zeide het kind.

Glimlachend streelde de freule haar over het hoofd. In haar hart echter herhaalde zij de woorden : „Gij zult vader en moeder verlaten en hem volgen."

En plotseling vreesde zij voor de liefde.

XVII.

Tot de ongelukkigste menschen in geheel Berlijn rekende zich in dezen tijd de daarheen teruggekeerde dichter Karel v. Hulkap. Hij gevoelde zich met de samenleving als in conflict en vluchtte de menschen; nog heviger voelde hij zich gekweld door een soort tegenstrijd in eigen borst en gaarne ware hij voor zichzelf gevlucht.

Het eerste wat hij tengevolge van dat gevoel deed, was het veranderen van woning; hij huurde zich een nieuw tehuis in de Bellevue-straat. Maar niet de ligging zijner vorige woning was het geweest, welke hem ontstemde en hem allen lust tot werken benam. De oorzaak zat dieper.

Gaarne had hij, evenals vroeger, bedwelming gezocht in het overmatig gebruiken van drank en het rooken van zware sigaretten. Daarom nam hij in de eerste dagen talrijke uitnoodigingen aan. Er volgden nachten van uitspatting en treurige, ellendige dagen — en nog steeds week niet die onrust van hem, eerder nog werd hij ongelukkiger dan te voren.

Gisteren had Otto Ernst Rosenhart, een ster van het letterkundig genootschap, waar ook hij bij hoorde, een souper in het Architectenhuis gegeven. Het was een publiek geheim, dat hij voor het boek, welks verschijnen in druk men feestelijk vierde, de drukkosten zelf gedekt had en dat hij het geld bij zich droeg, om de eerste oplage zoo spoedig mogelijk geheel te laten opkoopen; want Rosenhart was de zoon van een koopman en had van dezen het grondbeginsel geërfd, dat in onzen tijd voor elke zaak reclame noodig was. Hoe onwaardiger echter de aanleiding tot deze feestelijkheid was, des te doller scheen men ze te willen vieren. Reeds om 11 uur kwam de champagne op tafel en in de toasten werden ongeloof en ondeugd verheerlijkt. Een lid van het genootschap droeg gewaagde coupletten voor; daarna nam een bleek jongeling het woord; hij vergeleek den gastheer met Lucullus, doch voorspelde hem tevens den roem van een Horatius. Toen hij uitgesproken had, zakte hij — door den alcohol bedwelmd — op zijn stoel ineen.

Nooit meer dan op dezen avond, zag de jonge Westfaler den afgrond, welke tusschen hem en deze letterkundigen gaapte. En toen zelfs de uitgelatenheid zoo ver ging, dat men prachtig geslepen wijnglazen moedwillig stuk sloeg en met de champagne-